AVEND


God
de avendzon,
het goede gras en mijn goede broeder boom
ik houd mijn hand aan zijn koele stam
in alle dingen zijt Gij nu mild.
De witte wolken: werkend schuim:
opstapelend, omhoog=schuivend en uitmekaarzakkend,
en de warme brand wisselend erin
van de zon achter de heuvlen.

Zo vreemd=zacht treedt Gij opeens op me toe ik durf
[U niet te herkennen.
De weelde van het rijpe koren: uw zingende nabij=zijn.
En de grote nog komende vreugde
de oogst: het maaien, het binnenhalen:
wagens beladen met koren:
t zal worden ons dageliks brood
en welke halm zal iets van zijn vrucht mogen geven
[om U te zijn.

Deze zaterdag=avend ik durf U niet te herkennen.
Rust, en uit de stallen warme zoete reuken.
Het land uitgestrekt, opengekeerd naar U als de ontvangende
[armen van Sint Franciscus
dank en verlangen.
Een stil boerenmeisje dat gaat biechten,
zij loopt geruchtloos over het heldere plein
aandachtige handen wiedden het gras uit de hoeken;
alle verlangens worden wit, ongekend wit glinsterend=
witte bergtoppen tot U.
Aan onze lippen is een liedje van vroeger.



18



















inhoud



aangemaakt: 09-10-2000 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-08-2011