HET SIRKES


    En de clowntjes dribbelen weer binnen.

    De kamelen. En een gestadig=schuw=aarzelend verlangen het reiken hunner halzen, bevangen adel hun droef=gedweeë ogen. O! de zachte, slanke wiegel hunner onteerde leden: het vermoeide, het trillend rilde. Maar telkens opnieuw, losspringend met de lenig=gespierde golf van hun draf de oneindigheidsdrift van hun woestijn=bloed, in het krankzinnig=rond engtetje der manege.
    Als de kameeltjes springen en toertjes doen en de lustige ponny maar dribbelt en dribbelt en zich kinderlik beijvert —geen dier dat de ander durft bezien — het clowntje roept: »reusŕchtig!«
    En hij steekt zijn parapluutje op, omdat de tranen uit zijn ogen lopen; het gejoel en geklap der tribunes mepperend en steigerend naar omlaag als een troep globe=trotters die een trap afrollen.

    De nederlaag in het onvruchtbare geweld van de olifant. De zware sterke slurf; droeve bevreemding het immer nog tasten in lege ruimten: het witte klontje dat hij lekker ging vinden. Het traagzaam=onderworpen beuren van poot die de vernedering van mens-=kleinheid moet tillen, en het verwijt dier vergevende ogen. Het zware vel hangt neer in grote wijde plooien: nooit meer worden zijn spieren gespannen. De trotse opstandigheid uit oosterse woud=strijd is gestorven tot lome berusting. In zijn bewegingen: alleen bange voorzichtigheid om de pijn van het lachen te ontwijken.
    Als de olifant doodligt en opzit en naar de pijpen danst: het clowntje roept »o zo!« En hij loopt kranig door het ronde ruimtetje — zijn beentjes stappen stijf en zijn armpjes zwaaien kwaadaardig — hij doet echt als een mens maar

15



















inhoud



aangemaakt: 09-10-2000 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-08-2011