lijst van werken
vorige bladzijde



volgende bladzijde zelfbehoud, op een afstand van zichzelf moet houden, maar reeds dit is voor hem wezenlijke ontrouw. Wij – anderen – kunnen in deze werkelijkheid niet ademen, haar niet onvoorwaardelijk in ons toelaten. Wij verbergen ons ervoor in onze waarneembare nuttigheid. Hij moet ermee leven, en hij wil ermee leven. En het is in déze werkelijkheid, in déze verbondenheid met de mens dat hij zijn onmacht tot overdracht, de onmacht van het woord, de onmacht van zijn bestaan te vernietigender ervaart. Deze onmacht verlamt niet zijn handelen. De wil om te handelen, te helpen, kan hij niet het zwijgen opleggen, hoe kwellend de vragen en het zichzelf ondervragen ook werden, al was het slechts omdat de deernis niet werkloos kan toezien en minstens altijd zal moeten doen wat de hand vindt om te doen, hoe weinig en geschonden, ontmoedigd en vol wanhoop dit helpend handelen ook zou zijn. ,,Onszelf vermoorden in ons werk”, ,,ik kan mijn volk (mijn dorpje H.B.) niet verliezen” laat Unamuno zijn St. Manuel Bueno zeggen, deze door medelijden en wanhoop verteerde priester die zijn geloof heeft verloren, en het is alsof men in die woorden een echo beluistert van de verbondenheid met de mens die Paulus deed zeggen: ,,ik zou willen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als het mijn broeders, mijn verwanten in het vlees, kon baten.” Door deze verbondenheid met de mens vindt hij, vindt zijn deernis, ook geen toevlucht of beschutting, berusting en vrede in de troostwoorden van het geloof, in een leven ,,uit de hoop”, uit ,,de belofte”, in een gelovig aanvaarden van het ,,mysterie” van het lijden, in het weten (van het geloof) dat God zijn tempel in stilte bouwt – met hamerslagen die niet worden gehoord, of in het besef dat wij ,,een volk onderweg” zijn; dat hij zaait maar een ander de wasdom geeft, dat hij niet alleen staat, dat naast hem nog vele anderen in dienstbaarheid aan de mens de hitte van de dag verdragen, en zo voort. Want hoe waar en waarachtig deze en andere overwegingen van het geloof voor hem ook zijn, hij zoekt geen rust en troost voor zichzelf: zijn hart gaat uit naar de ander. En misschien vréést hij de vrede en overgave van het geloof ook wel; misschien vreest hij dat door de vrede en overgave van het geloof ook zijn deernis, welke hij zou willen bewaken als zijn zuiverste bezit, betrokken wordt in dat langzame, onherstelbare verkalkingproces dat geloof en overgave zo vaak uitwerken: de voze sereniteit van een gedepersonaliseerde deernis.
    Wat hiervan zij, het antwoord op zijn betrokkenheid bij de mens is niet de geloofstroost, niet de personalisering van het geloof, maar de personalisering van zijn actieve deernis, hoezeer hij ook (of juist omdat hij) zijn liefde zo moest wantrouwen en weet hoe weinig hij voor zo weinigen is. Deernis is een werkdadigheid en zoekt, krachtens haar volgende bladzijde


25














volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 19-02-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-02-2010