lijst van werken
vorige bladzijde



De moeder




De zomer was zeer schoon, en ook haar lichaam
dat in d’oranje vlam der ligstoel lag,
vermoeid van veelmaals moeder-zijn, was schoon
gelijk de lome weelde van de zomerdag.

Naast haar het streng gelid der zonnebloemen,
het zware blad, de hoge harde stammen
met hunne vuren bloei, hun trots opvlammen
in de doorwaaide stilte van de zomernoen­.

Zo eenzaarn rust zij in de zon en ’t zomerlicht,
de vlam der ligstoel rond haar blonde haren,
haar kleine sterke hand, haar sluimerend gezicht
vermoeid en weggeborgen aan de zware tooi der aarde.
Het is zo schoon en droef, haar zo alleen te zien:
kindren zijn jong, hun blijdschap en gespeel
is zorgeloos en ver en lacht in andre gaarden,
maar hier heft elke zonnebloem voor haar de
hoge glorie van een stille vlam.

Mijn hand omvat een sterke stam, –
voel ik het leven van mijn kind
wanneer de blaadren opwaarts ruisen en de wind
de stam buigt en zijn pezen spant
tussen de pezen van mijn vaste hand?



27





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 26-11-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-02-2010