lijst van werken
vorige bladzijde



Het verwachten




Het lichte dwalen door de voorjaarszon,
door ochtend-stille bossen en hun koele waaien,
waaien dat plotseling alom begon
te ruisen en te stromen in het bladerengroen der lanen.
Het waaien werd een vloed, een opwaartswervelen
van glanzingen, een nederstromen, baren
van vreugde woelend in het licht, het teder tegenzingende
dat puur en roerloos hing, een alom ommewaren
en wentelen, lucht en onstuimig, in lichtís evenwicht.

O dit hoog lente-dansen, dit zonneglanzen,
en dit bang hart, dat zoveel wegen ging,
dat altijd werend was de leniging
waarom de dagen vragend waren.

Maar zij die naast mij liep.. zie, haar gezicht
lachte zo stil, terwijl zij lenig ging
in zonnestralen langs de ijle pracht der blaren Ė
geheel ontvangenis, in niets verdediging;
zij lachte vrijer dan het kleine spel der bron,
dan ít kleine wonder van dit ingehouden zingen,
zij ging alsof de aarde met haar zuivre dingen
nog eenmaal, groot en nieuw, als een heelal begon.



20





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 26-11-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-02-2010