lijst van werken
vorige bladzijde



Droefheid der vreugde




Vreugde en droefheid, ach, zij zijn ten laatste
zo diep en onvervreemdbaar met elkaar vereend, –
het zonlicht dat ten donkren vijverbodem daalde
is dieper niet met ’t roerloos water een.

Zo stil-verlaten, droef en klaar werd ’t water
waar kleine vissen langzaam en peinzend zijn;
er dringt geen lachen meer, geen schuchter praten
in d’onverstoorbre stilten van zijn lichte schijn.

Zilveren bellen stijgen van de lange planten
langzaam en huivrend naar het verre oppervlak,
zo droef, zo durend, als een klachtloos smachten
naar een gemeenzaamheid, die deze stilten brak,

een hunkrend roepen, roepen dat al is verloren
voor het ten spiegel broos en stil verscheen. –
Hoe schijnt het zonlicht nutloos hier geboren,
ach, hoe gaan allen ver langs dit licht-wonder heen.

Zo staan wij allen eens met ’t schoonst en tederst hunkeren
zó eenzaam roepend en onmachtig tussen u alleen,
dat vreugde droefheid wordt, en droefenis en vreugde
ten laatste onvervreemdbaar, eeuwig zijn vereend.









9





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 26-11-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-02-2010