Wanneer wij dus de rechten der Joden opnieuw zouden herleiden tot een gast-recht en hen daarmede wederom uit ons intern gemeenschapsleven verwijderen, — dan zij dit niet de bevrediging van een wraakinstinct, doch vóór alles: nòg een adieu voorgoed aan dat, ondanks alle verlichting, zoo pueriele tijdperk van gelijkheid, vrijheid en broederschap.

Zonder bitterheid ook nog hierom. Het joodsche probleem is wellicht vóór alles een tragisch probleem. Dit beseffen wij, noodra wij aanvaarden dat dit volk een voornaam volk is. En ontegensprekelijk: een volk, dat zijn patriarchen, profeten, koningen, krijgs­lieden en wijzen heeft gehad — gestalten die nog altijd de bewon­dering der menschheid afdwingen, omdat zij behooren tot de zeer schoone figuren welke de wereld heeft voortgebracht; een volk, dat als zijn onvervreemdbaar en nationaal erfgoed het Oude Testament bezit, boeken waaraan tallooze eeuwen en tallooze volken zooveel te danken hebben gehad (en met hetgeen ik hiermee over de grootheid van dit volk heb gezegd, zij dan nogmaals vastgesteld, hoe dit volk „een zegen’’ is — en dan ook scheppend — in alles waarin het daadwerkelijk heilig is geweest); een volk vervolgens, dat, in de veertig eeuwen van zijn historie, zelf met vele culturen in aanraking komend, in geen dier culturen onderging, doch zich tegenover alle handhaafde — zelve zijn geestelijke verworvenheden vastleggend in een literatuur, die thans reeds drie duizend jaren omspant; een volk dat zich aldus handhaafde doorheen een historie, die wellicht de, meest bewogen en smartelijke is geweest die volken gekend hebben, een historie van grootheid en schande, van adel en verdorvenheid, van machtsvorming en machtsvernietiging, van uiteengedreven, verspreid en vernederd worden, van niets zijn, van beheerscht en bedwongen zijn, om dan, na veertig eeuwen bestaan, nog de kracht, de levenskracht op te brengen, niet alleen om naar een wereldheerschappij te stréven, maar om hét probleem van cultuur-volken te zijn, een dergelijk volk is ontegensprekelijk een groot volk; het is misschien nog groot waar het, in zijn ontaarding en vernietigingswil, een besmetting en een hatelijk vernederend juk is geworden.


203

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-10-2009