vorige pagina Aldus medewerkend aan een daadwerkelijke, innerlijke en structureele vernieuwing van het gemeenschapsleven eener niet meer christelijke gemeenschap, begint voor den waarachtigen christen inderdaad een zekere tragedie. Want geeft hij, door het herstel dezer rechts-orde, den mensch een menschwaardig bestaan terug, hij weet tevens: dat hij er geen ziel mee aan Christus geeft, — integendeel kan men wel haast zeggen; want de liefde van dien mensch zal allereerst datgene behooren wat hem dit menschwaardiger bestaan hergaf, en hij zal het wellicht méér behooren naarmate hij dat menschwaardiger bestaan eertijds ontbeerde. 1) De mensch zal zich daarin even exclusief en uitbundig verheugen als de tien genezenen (waarvan het Evangelie spreekt) zich verheugden in het bezit van het leven, — en negen van hen maakten zich om geen Christus meer druk. En desondanks hergaf Christus, die dit tevoren wist, hen, als zoovelen, de gezondheid van het lichaam. Hij deed dit dan ook niet uit ,,goddelijke hebzucht’’, maar alleen uit medelijden met die ongelukkigen. Bij het lenigen der tijdelijke nooden eener gemeenschap vraagt men niet of dit ten voordeele of ten nadeele is van het bovennatuurlijk heil van den mensch, - men doet dit eenvoudig als één der plichten van naastenliefde; en het eenige dat ten voordeele of ten nadeele is van het Rijk Gods, het eenige dat het ,,meest gunstige milieu’’ voor het Rijk Gods (nl. de orde op natuurlijk gebied als voorwaarde voor een bovennatuurlijk leven) als zoodanig tot zijn recht doet komen of als zoodanig van geen beteekenis doet zijn, is, voorzoover het óns aandeel, het aandeel der menschen, betreft, de al of niet vrije, onbelemmerde werkzaamheid van bovennatuurlijk levende, bovennatuurlijk-gerichte, waarachtig apostolische Godsmannen. Zonder hun werkzaamheid is àlles wat goed is in de natuurlijke orde ten nadeele van het bovennatuurlijk leven van den mensch. De waarachtige christen dient daarom volgende pagina


1) ,,Want de orde op tijdelijk gebied (,,dit meest gunstige milieu’’) is evenzeer een belemmering voor het Rijk Gods als de wanorde. Doet de wanorde God haten, de orde op natuurlijk gebied doet de aarde beminnen en ook den mensch, die deze orde schiep. En als wij begrijpen, hoe moeilijk, grootsch en schoon het scheppen van een natuurlijke orde is, dan beseffen wij tevens, hoezeer een geslacht, dat deze glorieuze orde opbouwde, zichzelf zal kunnen gaan verheerlijken en, daarmee, zich evenzeer en even ondoorbreekbaar van God verwijderen en vervreemden kan als de wanorde en de haat dit deden.’’ (Subjectieve Normen)


151

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 13-12-2009