,,DE RELIGIEUZEN EN HET ONDERWIJS’’


Onder dezen titel bevatte de Utrechtsche Courant (21 Sept.’40) een artikel, waarin getracht werd, op de dramatisch gestelde vraag: ,,moeten de religieuze onderwijskrachten uit de gemeenschap worden gestooten’’, een ,,principieel’’ antwoord te geven. Minder dramatisch (zakelijker) geformuleerd, luidt de vraag: moeten de religieuzen uit het onderwijs? — De schrijver van bedoeld artikel, een zekere W., gaat bij zijn ontkennend antwoord wel bijzonder simplistisch te werk. Als uitgangspunt neemt hij een ,,eindelijk-principieele’’ uitspraak van den tegenstander, een uitspraak, waarvan de herkomst, en evenzoo het verband waarin zij werd geponeerd, verzwegen wordt, en die dan zou zijn afgeleid uit ,,de doelstelling van het religieuze leven zelf’’. De religieuzen, zoo laat W. zijn tegenstander redeneeren, hebben ,,de wereld’’ verlaten, — derhalve hebben zij niets met onderwijs uitstaande. Kunnen zij zonder het geven van onderricht niet leven, wel, dan moeten zij hun levens­onderhoud maar van Gods Voorzienigheid verbeiden.

Vanzelfsprekend valt het den schrijver niet moeilijk om aan te toonen, dat het verlaten van de wereld zeer wel met het geven van onderwijs te vereenigen is, en om aldus voor zijn lezerskring een gelijkje te construeeren. De heer W. weet echter zeer goed, of diende het althans te weten, dat het vraagstuk van de religieuzen in het onderwijs, principieel gesteld, een totaal ander uitgangspunt heeft dan de vereenigbaarheid van kloosterleven met onderwijs. Het zich terugtrekken uit de wereld en het geven van onderricht kunnen zeer goed met elkaar vereenigd worden (men kan dit zelfs wel iets beter verdedigen dan W. het doet), dit neemt niet weg, dat het onderwijs allereerst de taak der !eeken en niet van religieuzen is, en volgende pagina


133

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-10-2009