en in den besten zin staat, en zoo kon het, na slechts luttele jaren, den gigantischen strijd, welke het door het georganiseerde wereld­kapitaal werd opgedrongen, aanvaarden.

Het socialisme was schoon, toen het zich in handen bevond van idealisten (en Troelstra was voorzeker een eerlijk en edel idealist, zelfs nog in zijn woedend en gegriefd verzet tegen ,,de orthodoxe marxisten’’); het was schoon, toen het zich in handen bevond van volbloed en verbeten revolutionnairen (en dat waren gemeenlijk de uiterst linksche elementen); doch om het socialisme te verwerkelijken zonder dat het catastrofale rampen vooropstelde, moest het socia­lisme in handen komen van revolutionnairen, die, realistisch zonder opportunistisch te zijn, dogmatisch zonder irreëele dogmata aan te hangen, staatsbouwers waren. Het moest, wil mij zoo voorkomen, eerst in handen komen van den tegelijk edelmoedigen en constructieven germaanschen geest, dynamisch en tegelijk vol bezinning, onverzoenlijk en tegelijk vergevensgezind, vooraleer het socialisme leidend kon worden, vooraleer het daadwerkelijk en imponeerend ZIJN en DOORBREKEN kon.

Het moge dan waar zijn, dat fascisme en nationaal-socialisme niet een literatuur hebben voortgebracht als toen ,,de ziel’’ nog in deze wereld leed aan haar kluisters en droomen, dat Hitler en Mussolini er in konden slagen een socialisme in het leven te roepen, dat — na zoo luttele jaren — den gigantischen strijd tegen de plutocratische wereldrijken zegevierend aankon — ik meen, dat dit een poëem is, dat tegen vele andere gedichten opweegt; ik meen, dat dit — wat er ook in later eeuwen moge gebeuren — het onsterfelijk poëem zal blijven van déze eeuw.








88

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-10-2009