zij buiten- en anti-Europeesch zijn, en ten tweede omdat deze internationalismen geen internationalismen doch imperialismen zijn en, instede van een ,,synthese’’ te verwezenlijken, geen ander alternatief openlaten dan een òfwel mondiaal (en monsterlijk) uitgedijde Yankee-cultuur, òfwel de mondiaal uitgedijde Russische consequentie van een in Azië tot bolsjewisme ontredderd com­munisme. In beide internationalismen — die met universalisme niets gemeen hebben — is voor zooiets eigengereids als een oor­spronkelijk Europa geen plaats; méér nog: het is iets onduldbaars: een onduldbare hoogmoed.

De strijd van het groot-Germaansche Rijk voor Europa is stellig ook onze strijd, al was het slechts omdat wij niets zijn zonder Europa én Europa niets is zonder het Rijk, zonder het staatkundig genie, den realistischen en diep-vitalen levenswil van den Duitschen Noordrasmensch. En dat Europa niets meer was, in welke mate het proces der innerlijke en staatkundige ontbinding reeds was voortgeschreden bij de overige Europeesche volken, en, anderzijds, in welke mate het Rijk reeds de eenige vitale grootheid van dit verwilderd continent was geworden, het bleek met verbijsterende duidelijkheid toen het Rijk — uit zelfverdediging tegen de Europeesche volken die zijn groeiende grootmacht zochten te vernietigen — eindelijk naar het zwaard greep, en al die volken, stuk voor stuk, en stellig niet enkel militair, in elkaar stortten.

Maar de strijd, dien de Germaansche mensch thans voert, is om een veel dieper reden nog onze strijd. Want hij is, gelijk wij reeds vaststelden, in wezen de strijd om de zelf-bevrijding en zelf-bevestiging van den Germaanschen mensch, van dien Germaanschen mensch die ook wij zijn: de (eindelijke) vrijmaking van een levens-bewustzijn dat ook óns diepste en ook in óns geschonden levensbe­wustzijn, van een geloof in den mensch dat ook óns geloof is.


26
























aangemaakt: 24-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-10-2009