in een wereld, waarvan de besten nog een laat en vermoeid en — bij alle strijdbaarheid — een reeds in vele vreezen en vele onzekerheden ontredderd persoonlijkheidsbewustzijn cultiveeren: een mensch, wiens diep-vitaal en contra-sentimenteel gemeenschapsbewustzijn uit geheel nieuwe waarden put en door een geheel andere dan de tot dusver geldende waarden-hiërarchie bepaald wordt.

Waaraan nu ontleent déze mensch zijn innerlijke gesteldheid, zijn innerlijke houding?

Zijn geloof in het leven is geloof in den mensch, in de scheppende krachten van den mensch. Zeer zeker is hij vervuld van een diepen eerbied voor dat onpeilbaar proces, dat men wel de scheppende zelf-werkzaamheid der wereldziel heeft genoemd, dat grootsche gebeuren waarin de afzonderlijke mensch zoo onbeteekenend en nietig schijnt, maar tegelijk is hij er zich van bewust dat dit proces zich voltrekt niet alleen ín, maar slechts ook voortgang heeft dóór de scheppende energieën van den afzonderlijken mensch. En als, ondanks deze gebondenheid aan den mensch, die scheppen­de zelfwerkzaamheid van het léven nochtans een zich van u en mij onafhankelijk ontwikkelend gebeuren schijnt, een gebeuren waarin gij en ik nauwelijks van noode schijnen, dan is dit omdat in de durende vruchtbaarheid van het leven aan scheppende menschelijke krachten gij en ik een nietig verschijnsel zijn. Want wel kan een mensch of kan een geslacht verraad plegen aan zijn scheppende mogelijkheden, doch slechts om in een ander geslacht dien men­schelijken scheppingswil des te verhevigder te doen doorbreken, — want elk verraad aan de menschelijke scheppingskracht beteekent voor het menschelijk leven ontbinding en nood. — En van dat verraad, én van dien nood, én van dien verhevigder scheppingswil is ons geslacht getuige.


16
























aangemaakt: 24-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-10-2009