dezen oorlog, zij beginnen dan eerst, — ook voor óns! Het heeft geen enkelen reëelen zin dat wij dan een getal hebben te offreeren als wij niet tevens, als wij niet alleréérst een kader van gericht-revolutionnaire bekwamen, hebben aan te bieden. En daarom moet met de vorming van zulk een hiërarchie niet ná een militaire overwinning der Duitschers begonnen worden, als hadden wij dan eerst recht den tijd en de gelegenheid daartoe, maar op dat moment moet zij, zoo niet voltooid, dan toch reeds zeer ver gevorderd en reeds lang gericht en bewust begonnen zijn. Met onbekwamen toch en revolutionnaire zwetsers kunnen zij, op wie dan de volle last en de volle verantwoordelijkheid rusten voor het nieuw op te bouwen Europa, niets aanvangen, en aan hen kan bij dit geweldige werk niets worden toevertrouwd.
Doch ook waar het Nederlandsche volk voor de revolutie gewonnen en veroverd moet worden heeft het geen enkelen zin iets anders te zijn dan bekwame, gerichte revolutionnairen. Ook bij het Nederlandsche volk bereiken wij niets — niets van vitale of blijvende beteekenis — als het enkel zou beseffen dat wij dé macht zijn, — met voor het overige alleen een groote dosis „goeden wil”. Het dient te beseffen d.w.z. te ervaren, dat wij de m e n s c h e n zijn, d.w.z. de hersens, het hart, de liefde, de werkelijke scheppingskracht, kortom: het daadwerkelijk-bétere deel der natie in dat tijdsgewricht. En dat besef groeit niet door de betere overtuiging die wij aanhangen, doch enkel door de werkelijk-betere daden die wij presteeren.

Geven wij ons toch vooral niet over aan de funeste en execrabele illusie, dat het einde van den oorlog, dat een Duitsche overwinning de menschen vanzelf aan onze zijde brengt. Want wat dan „vanzelf” tot ons komt, zal slechts een uitbreiding beteekenen van het leger van onbekwamen, profiteurs en baantjesjagers. En dié lieden vernielen niet slechts de scheppingskracht der Beweging en daarmede de positie der Beweging, maar ook, door de durende bewijzen van onbekwaamheid, een onbekwaamheid die talloozen werkloos op een afstand doet blijven, de positie van ons volk in het nieuwe Europa. Dit laatste voorál moeten wij goed in het oog houden!
Ik zeide, dat het thans niet allereerst meer gaat om de verovering van de massa, en stellig niet meer om de verovering der massa met het oog op het machtsprobleem. Het gaat, zoodra de macht niet meer afhankelijk is van de instemming of het afwijzen van de massa, om dat, waar het de massa betreft, veel waardevollere en essentieelere, namelijk: de waarachtige vorming van de massa, om het kweeken, bij haar, van een werkelijke en overtuigde gerichtheid. Opdat ook voor háár de revolutie een levende werkelijkheid en aldus óók dóór haar ons volksgeheel een volwaardige grootheid wordt in het geheel der Europeesche volken. — Ook déze vorming, waarbij niets „vanzelf” gaat, maar álles het resultaat zal zijn van een langdurige, taai-volgehouden en helder-bewuste actie, — ook déze vorming is allereerst het werk van een waarachtig-revolutionnaire en waarachtig-deskundige hiërarchie, — van een stoot-troep in den volsten zin van het woord. Die stoottroep heeft derhalve een drievoudige opdracht. Ten eerste een interne, ten opzichte van de vorming van de Beweging; ten tweede naar buiten, ten overstaan van de vorming van het Nederlandsche volk; en ten derde: als behoedster van onze positie als volk in het te scheppen nieuwe Europa.
En niets is onverantwoordelijker, én tegenover de Beweging én tegenover ons volk en zijn toekomst, dan de welbewuste vorming van zulk een stoottroep voor dit moment als iets minder presseerends te bagatelliseeren, als iets van láter zorg. Het zij onze éérste en durende zorg. Onze éénige ...!

HENRI BRUNING.


1) „Een hard en ernstig woord.” (blz. 8)

279
















aangemaakt: 26-10-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-10-2012