tiek-staatkundige doelstellingen — als een eenvoudige consequentie van den wil om één leven op te bouwen, één gemeenschap gestalte te geven en weerbaar te houden.
Door dit alles nu (dat wij nastreven en willen verwerkelijken) zijn wij, als volk, niet meer souverein, maar op zeer indringende wijze déél: van een grooter geheel; een geheel voorts, waarvan de leiding berust (niet bij ons, maar, vanzelfsprekend:) bij dat volk voor hetwelk al die nieuwe, scheppende waarden het eerst, het helderst en strijdbaarst realiteit werden, dus bij het volk dat inderdaad léidend is. Doch dit alles maakt tevens, dat de term „staat” onze toekomstige werkelijkheid onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het staatsbegrip is er goeddeels in opgelost, want het bestuur hier heeft dan tot taak te bereiken, dat wij, wij Nederlanders, een voor de Germaansche volken gemeenschappelijk geldende opdracht op éigen wijze, overeenkomstig ons wezen en onze groote tradities verwerkelijken en op die wijze, als Nederlanders, ons aandeel leveren in de groote Germaansche taak. Dat de Leider der Germaansche volken, Adolf Hitler, thans, voor het Nederlandsche volk, een Leider aanwees, een leiderschap bekrachtigde en bevestigde, bewijst op zich reeds, dat niet het volk, maar een grooter goed (de ras-gemeenschap, haar taak, en ook de eenheid van Europa) de beslissende en bepalende, de vorm-gevende norm werd. En het is dan ook de opdracht van den Leider der N.S.B., het Nederlandsche volk voor dát grooter goed (die allerdiepst-gaande verbondenheid der Germaansche volken en de eenheid van Europa) te veroveren, — gelijk de Rijkscommissaris in zijn magistrale rede op den elfden verjaardag der Beweging herhaaldelijk en nadrukkelijk te verstaan gaf. De taak der N.S.B, is derhalve niet, het Nederlandsche volk te winnen voor een nationaal-socialistisch, doch voor het overige souverein, Nederland, doch voor de idee van een nationaal-socialistisch, staatkundig allernauwst één geworden Europa.


Anderzijds, en hoezeer door dit alles op al de gebieden des levens de vitale, scheppende en vorm-gevende energieën der Germaansche volken ook met elkaar vervlochten worden en al die volken een ondeelbare eenheid worden, anderzijds is toch ook de term „gouw” onjuist om onze verhouding tot het Rijk tot uitdrukking te brengen.
Ten eerste bezitten wij Nederlanders een eigen taal, een eigen cultuur, een eigen historie, een eigen traditie; dit brengt mee: ten tweede: dat het volk der Nederlanden niet door een Duitscher vertegenwoordigd kan worden. Ware er sprake van een gouw, dan kon Nederland evengoed door een Duitscher bestuurd worden als andere gouwen van het Rijk. Doch juist het feit, dat hier een Nederlander de Nederlanden zal vertegenwoordigen en leiden, bevestigt dat er niet van een gouw sprake is (en nog minder... van vasaliteit).
Waarvan is er dan wél sprake? zal men vragen; en een eerste antwoord zou kunnen luiden, dat wij iets worden dat, staatkundig beschouwd, tusschen „staat” en „gouw” in zweeft. Evenwel: er is niets „zwevends”. Er is sprake van een nieuw, reëel concretum, en alleen de term, die dit concretum staatsrechtelijk in formule brengt, is ongewis. Niet de toekomstige werkelijkheid, onze wérkelijke verhouding tot het Rijk schept wel controversen bij hen die samen staan en samen strijden, want over de zes hier boven genoemde punten zullen allen het in den grond roerend eens zijn, doch de termen waarmede wij dit concretum aanduiden, roepen tegenstellingen op; termen, waarvan de een te veel nog doordrenkt is van vroegere werkelijkheden en dus de komende werkelijkheid geenszins dekt 1), en waarvan de andere, die van „gouw”, de nieuwe werkelijkheid aanduidt op een wijze die onze eigen functie daarin miskent (stellig voor het gevoel), een functie welke door de erkenning van een eigen Leider juist werd bevestigd.

















aangemaakt: 22-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 25-10-2012