onder de tegenstanders, die daarvoor vatbaar zijn, tot bezinning en inzicht te brengen.

Wij noemen dan de termen „staat” en „gouw”, als uitdrukking gevend aan onze toekomstige verhouding tot het Rijk. Ik meen, dat het niet zoo is, dat één dier beide termen juist en de andere onjuist is, maar zij béide onnauwkeurig en onvoldoende zijn.
Een „staat” bevestigt de souvereiniteit van een volk; de staat, die b.v. het Derde Rijk is, bevestigt deze souvereiniteit voor het Duitsche volk. De „staat” bevestigt den wil en de noodzaak van een volk om eigenmachtig vast te stellen wat goed en niet-goed is voor dat volk; hij bevestigt voorts, dat het volk dit zelf-vastgestelde goed zèlf wil en kan verdedigen.
Doch zoo enkelvoudig, dat wij — wij Nederlanders — in dién zin van „staat” kunnen spreken, is onze situatie in het nieuwe Europa niet. Ten eerste zijn wij niet meer in staat ons volksgoed zèlf te verdedigen; en bovendien (om onze situatie in het nieuwe Europa eens wat paradoxaal te formuleeren): wij hebben geen bondgenoot, wij zijn dan bondgenoot (en omdat wij allereerst — geheel vrijwillig overigens — bondgenoot zijn, dus ons beschouwen als een deel van een grooter geheel (hetgeen beteekent, dat wij niet meer als vroeger souverein zijn), dáárom hebben we ook bondgenooten, en wel in dat geheel waarvan wij deel zijn;
ten tweede: de vorm van ons staatkundig leven zal de bevestiging zijn van het feit, dat wij onverbrekelijk deel uitmaken van een gemeenschap die meer omspant dan het enkele (eigen) volk, n.l. de Germaansche ras-gemeenschap; ten derde zijn het niet enkel factoren van biologischen aard die de volken van de Germaansche ras-gemeenschap (waartoe ook wij behooren) een eenheid doen erkennen welke ook staatkundig tot uitdrukking moet komen. Het is de bewuste wil tot een Germaansche levensbeschouwing, zijnde de (groote en eenige) zin van het Germaansche ras, die de Germaansche volken doet samen-staan, hen een gemeenschappelijke opdracht geeft van de hoogste orde, een opdracht die dieper en ingrijpender ons aller lot en wezen samenweeft dan welke biologisch bepaalde eenheid ook. Wij (de Germaansche volken) zijn voorts ook niet één door een negatieven wil, door den gemeenschappelijken strijd tegen bolsjewisme, plutocratie, jodendom en het (zeer diep grijpende) machtspolitieke drijven der kerken, maar allereerst door den zeer positieven en zeer trotschen wil: den zin van het Germaansche ras — eindelijk, na zooveel eeuwen — volstrekt en vastberaden te realiseeren; ten vierde binden de volken van de Germaansche rasgemeenschap gemeenschappelijke poli-

















aangemaakt: 22-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 25-10-2012