meer is er met zijn paradepaard; van Van Ostade vindt men slechts „De Rechtsgeleerde”; Ruysdael en Rubens zijn beiden eveneens slechts met één doekje toegelaten (of weggedrukt). De keuze uit Jan Steen en Rembrandt is weinig consciëntieus. Dit alles is, als men het gestelde doel der verzameling voor oogen houdt, n.l. een „algemeen cultuurbeeld” te benaderen, wel zeer onvoldoende en zeer onbevredigend. Van de abondantie, de exuberante pracht en veelzijdigheid van het zeventiende eeuwsche kunstleven geeft het gebodene slechts een onnauwkeurig, rommelig en zeer weinig openbarend beeld. En waarom we er aan herinnerd moesten worden, dat Karel van de Woestijne’s gedichten ook wel eens door Cantré en Van Straten werden verlucht, is me niet recht duidelijk; het bracht maar onnoodige kosten mee, dunkt me.
     Men krijgt zoo den indruk, dat het idee van „schrijvers én schilders” meer uit mercantiele overwegingen werd aangesneden en verwerkelijkt dan om het idee-zelf, dat — het zij toegegeven — nogal „kostbaar” is, als men het gewetensvol ten uitvoer brengt. Niettemin, veel kosten hadden voorkomen kunnen worden door een minder „luxueuse” uitgave, terwijl minder weerbarstige papiersoorten en een andere rangschikking der reproducties ook de overzichtelijkheid van het geheel niet weinig zou zijn ten goede gekomen. Alles bijeen dus een verwerkelijking van een nieuw idee, die voor een „verbeterde editie” ruimschoots in aanmerking komt.
     Deze opmerkingen mogen hier echter volstaan; zij betreffen enkele zaken, waarin deze bloemlezing, na de gewekte verwachtingen, teleurstelt. Desondanks is ook deze bloemlezing, zeer zeker het literaire gedeelte, evenals elke eenigszins met kunde samengestelde revue der Dietsche letterkunde, een vrijwel doorloopende vreugde. Men volgt een curve, waarvan de hoogtepunten, poëtisch althans, telkens een stijging fixeeren, en een grooter rijkdom, verfijning, veredeling openbaren. Ik behoor niet tot hen, die Vondel als het laatste woord onzer letterkunde tot dusver beschouwen en diens minder verteerbare kanten (hij heeft er wel enkele!) afschuiven op den tijd, waarin hij geschreven heeft. IK vind, om slechts één naam te noemen, Gezelle oneindig schooner, ontroerender, dan Vondel, en, als ik een oogenblik geheel eerlijk mag zijn, voor de Mei van Gorter geef ik heel wat Vondel-gedichten zonder scrupules cadeau (en voor den completen Gorter misschien wel den completen Vondel). Doch over Vondel, op wien ik niet neerzie, tegen wien ik opzie als tegen een reus (maar de Dietsche literatuur bezit meerdere reuzen!), — over Vondel een ander maal, in ander verband, uitvoeriger. Dit slechts, om vluchtig duidelijk te maken, waarom ik een overzicht van de Dietsche letterkunde kan ondergaan als een stijging naar een telkenmale hooger gelegen hoogtepunt, en waarom een dergelijke revue, ondanks zekere tekorten, voor mij een doorloopende vreugde is, zelfs méér dan dat. Welk een geestelijke rijkdom, welk een groote verscheidenheid aan (geheel unieke) persoonlijkheden trekt daarmee aan ons voorbij!



DE MIDDELEEUWEN. Het wereldlijk minnelied, dat men in den aanvang onzer historie aantreft, is sterk erotisch. Doch het is alles nog helder, argeloos, maagdelijk (en tegelijk reeds — en steeds — hevig menschelijk): vreugde en smart worden nauwelijks beroerd door een godsdienstige spanning; de zonde is geen zonde en de pijn geen wroeging. Het schijnt de ochtendstond der wereld. Maar in een reeks geestelijke liederen, ontroerend-zuiver, stil en tegelijk smartelijk, dwaalt men door de tuinen der goddelijke liefde, die altijd een goddelijke barmhartigheid is (in ruimer en schooner zin dan barmhartigheid met onze zonden). Ook deze poëzie heeft nog iets van den zuiveren ochtendstond der wereld. Zoo vindt men er het hooge jubileeren:

Al dat leeft opter aarden
Zoo wat men met oogen aanziet,
Hoe groot dat is van waarden,
’'t En mag mij verblijden niet,
Voor dat ik kome hierboven
Tot die vreugd der zaligheid
Daar die engelen altijd loven
Die hooge drievuldigheid

het droeve (en toch zoo vreugdevolle):

ik wil mij gaan vermeiden
In Jezus’ lijden groot,
Van daar en wil ik niet scheiden
In ’t leven noch in die dood


















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 22-01-2012