Uit: DE WAAG, 4 JULI 1940, 4e JAARGANG No. 27, bladz. 312



II.

Hoezeer ingesteld, waaks en onafgebroken strijdbaar, op de machtsverhoudingen en machtsverschuivingen rondom, heeft de staat ten opzichte van de hem omringende statenwereld niet enkel een defensieve betrekking. Creatief naar binnen, moet de staat ook creatief zijn naar buiten d.w.z. een orde-scheppende kracht in de gemeenschap der staten en staatjes die historisch, cultureel, econo­misch en anderszins bijeenhooren.
     Hiermede naderen wij het probleem der imperia: der pax romana, der pax britannica, der pax germanica.
     Het Romeinsche Imperium der Oudheid vertegenwoordigde de Europeesche cultuur, het was inderdaad een cultureel imperium. Het Britsche wereld-imperium was — achter het verheven masker van een Godsstaat — een mercantiel (of koloniaal) imperium, en Europa speelde slechts een rol in zooverre het door een bepaalde in evenwicht gehouden verdeeldheid geen bedreiging voor dat imperium zou kunnen opleveren. Dit was niet enkel egoïsme, doch ook noodzaak; een koloniaal wereld-imperium, dat zijn souvereine machtspositie allereerst dankt aan zijn over alle deelen der wereld verspreide koloniën, wordt daartoe gedoemd als het die positie niet wil prijsgeven. Terwijl het juist de opdracht der groote Euro­peesche imperia is Europa te consolideeren en van de aldaar levende volken dat bestaan te dulden en positief te bevorderen waarop die volken door omvang, historie en prestaties in verleden en heden recht hebben, was Engeland, als eerste koloniale mogendheid, gedwongen dit groeiende leven steeds te smoren. De pax britannica was het tegendeel van creatief, zij was wezenlijk anti-vitaal: anti-Europeesch: vijandig aan elk zich oprichten tot hunne volstandigheid van jonge, van nature krachtige en machtige volken.
     Geen cultureel imperium zijnde, en slechts een gering aandeel hebbend in de scheppende werkzaamheid der Europeesche cultuur die hoofdzakelijk een continentale aangelegenheid is, was de souve­reine Britsche macht over Europa ook een anti-natuurlijke macht. Doch niet slechts met betrekking tot Europa, ook in zich was de Britsche macht dit. De macht van het Britsche Imperium was niet gebaseerd op de natuurlijke macht-gegevens van het eigen land en het eigen volk, op zijn cultureele prestaties in verleden en heden, op datgene wat het moederland aan bodemrijkdom en het moeder­volk aan veelzijdige creatieve energieën vertegenwoordigt; het Britsche Imperium dankt zijn macht aan ándere volken, die het overheerschte, in bedwang hield, niet zichzelf liet worden, en aan de niet geringe, doch ook weinig benijdenswaardige bekwaamheid dit staatkundig, strategisch en organisatorisch spel zoo lang te continueeren. Een Engeland, beroofd van zijn koloniën en aan­gewezen op eigen krachten, op datgene wat land en volk zijn en voortbrengen, wordt wat het is: een eiland — buiten Europa, en vrijwel buiten de scheppende werkzaamheid der Europeesche cultuur. Hiermede staan wij tegenover een essentieele tegenstelling met Duitschland. Alles wat Duitschland was en op dit moment is, dankt het aan zichzelf, bouwde het op — tegen alle verdrukking en nederlagen in — met de machtgegevens die eigen land en eigen volk vertegenwoordigen. Was de Britsche macht een anti-organische machtsconstructie, de Duitsche is een organische machtsformatie.
     Er is weinig helderziendheid voor noodig om te beseffen, dat, zoodra het (volkomen gerechtvaardigd) Duitsch zelf-bewustzijn gepaard zou gaan met een evenredig machts-bewustzijn (en dit is werkelijk niet slechts een kwestie van wapenen), het oogenblik gekomen zou zijn waarop déze Britsche overheersching, hoe dan ook, verbrijzeld zou gaan worden.


Thans voltrekt zich ook op het gebied der imperia een essentieele verandering. Het tijdperk van het koloniale wereld-imperium gaat plaats maken voor dat der continentale imperia. Een continentaal imperium met, elders op de we-

















aangemaakt: 17-07-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-07-2012