En wist ook Odin, of juister, wisten ook zij die deze gestalte, dezen grooten ziener, dezen bouwer aan een nieuwe aarde, opriepen, niet van dat oogenblik,

dat ik hing
aan den windigen boom
negen nachten lang,
door de speer gewond,
aan Odin gewijd,
zelf aan mijzelf,
aan den wereldboom — —

maar in dezen nood, waarin geen der zijnen hem spijs of drank bood, vond deze wijze (en geroepene) de wijsheid — de runen. Het is diezelfde desolaatheid en stilte, waarin de Antonius van Grünewald door de raaf — en door geen woord meer uit menschenmond — gevoed wordt, en waarin Jeroen Bosch zijn Antonius, ruggelings uitgestrekt op een kruis van hoonende en sarrende gedrochten, door de ruimte vaart. 1) (Zie afb. 75 en 76).
    Doch meen nu niet, dat een mensch als Jeroen Bosch slechts de exponent was van die wereld in ontbinding welke zijn tijd te aanschouwen gaf, — die wereld heeft de accenten alleen verhévigd; neen, het surrealisme is, en was ook bij hem, dat gegrepen zijn door iets dat, gelijk Hoffmann schreef, „wie eine spukhafte Erscheinung das alltägliche Leben ganz gewöhnlicher Menschen ins Blaue hinausrückt”. Ook Hoffmann, geenszins een ontwrichte (hoe bizar zijn phantasieën ook waren), maar vervuld van een hooger, helder weten en een schoonen droom behoedend, had dat rijk betreden „voll herrlicher Wunder, die die höchste Wonne sowie das tiefste Entsetzen in gewaltigen Schlägen hervorrufen, ja, wo die ernste Göttin ihren Schleier lüftet, dasz wir ihr Antlitz zu schauen wahnen . .” Want het gewone (het is niet zóó gewoon) wordt schrikwekkend, wellicht wel hèt schrikwekkende, wanneer men eenmaal in andere verten (zij zijn niet zóó ver) geschouwd heeft. En men behoeft zich slechts namen te herinneren als Bruegel, Callot, Daumier, Ensor, om nogmaals de ongerijmdheid van dat „alltägliche Leben ganz gewöhnlicher Menschen” te beseffen en om te weten dat dàt (gewone) leven het gegeven en de oorsprong vormde van de spookachtige en hallucinante transformaties die menschen als Bosch, Cranach en zoovele anderen, die een schoonen droom in zich behoedden, achtervolgd hebben.
    Het is onjuist te veronderstellen dat deze surrealisten, hoezeer bezeten van de demonie van het menschelijk leven, vertwijfelden, ontwortelden of ontaarden waren. Zij waren het tegendeel. Men bemerkt dit reeds aan de rust waarmede zij die werkelijkheid uitbeeldden, aan de rust waarmede zij zich tot die werkelijkheid verhielden. Zij kenden andere (schooner) werelden nog. Dat schiep


1) Zij zijn niet zijn „kruis”, maar het kruishout-zelf — Zijn geloof. Zijn vertrouwen etc. — is in een joelende troep gedrochten „verkeerd”.

78
















aangemaakt: 01-11-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 04-11-2012