verstoorde en vernielde — eveneens een schijn, doch wat het, in zijn essentie, deed verschillen van het surrealisme van andere tijden, was zijn oorsprong: datgene wat tot dit verstoren innerlijk dreef.
    Zelfs wanneer het samenleven der menschen, in de orde welke het realiseert, van groote scheppende krachten getuigt, woelen en wroeten nog, pal achter die orde, preciezer: ín die orde, de bizarre, hatelijke en demonische hartstochten der menschen, en alles wat zoo vertrouwd werd en schoon schijnt (ook schoon ís) kan ons plotseling een verbijsterend zelfbedrog toeschijnen en als een infernaal verraad op ons toespringen. Want niet alleen ligt die demonie van destructieve hartstochten, welke een scheppende orde behéérscht, in toom houdt, richt en gebruikt (nooit echter te niét doet!), durend paraat om het „despotisme” der orde wederom te verbrijzelen, maar zelfs waar die demonie z.g. „meebouwt” aan de orde, bouwt zij slechts aan zichzelf: aan de mogelijkheid zich, met en door die orde, te doen gelden. En hoe schooner het vermoedend weten is omtrent den mensch en diens mogelijkheden, hoe ontzinder en gruwelijker het menschelijk avontuur den clairvoyante (den sterke en roekelooze) kan voorkomen. — Het na-oorlogsche leven nu kende geen orde, en het kende zelfs geen schijn; het was verloopen, vuil, en schaamteloos-openhartig daarin. En men behoefde niet bepaald helderziend te zijn of gegrepen door een visioen, een hooger weten — van hetgeen menschelijk goed en edel is — om de ontbinding, het grauwe verval van het leven te beseffen. Den burger mocht die sinistere verdwazing voorloopig nog ontgaan, het zién ervan veronderstelde geen menschelijkheid van zeldzamer formaat, noch een verheven, edelen, creatieven levenswil, — een wil die een schrikwekkende werkelijkheid op het spoor moest komen (en te verwerken zou krijgen). En al evenmin behoefden de groteske deformatie en verdwazing van het menschelijk bestaan het verbeeldingsleven van een voornaam, onbevreesd denken. Het lag alles, behalve dan voor den burger, te grijp, — te grijp a.h.w. „voor de kleine hand van een kinderverstand”. Reeds bij den eersten stap in het leven zonk men er in weg als in een ontdooid, onwelriekend moeras dat den mensch niet meer dróeg. Het bedrog der uiterlijke werkelijkheid, of juister, de oppervlakkige schijn en haar resten van welbehagen maakte geen schijn van kans meer. Het leven openbaarde

















aangemaakt: 01-11-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 04-11-2012