Men kan dan ook een modern stilleven (van bv. Cézanne) niet afwijzen als ,,een onwezenlijke tijdpasseering” zonder verband met het leven; en men kan het nog minder afwijzen, als men gedwongen is het stilleven van het verleden (Vermeer) te aanvaarden als behoorende tot den roem en de glorie van onze Dietsche (zelfs Europeesche) schilderkunst. Men kan de somberheid van Raoul Hynckes niet afwijzen als ,,zoomaar” somberheid die verder voor geen sterveling van beteekenis is, als men bereid is de scheppingen van Hercules Seghers te aanvaarden als behoorende, wederom, tot den roem en de glorie van onze Dietsche (zelfs Europeesche) schilderkunst. Anderzijds kan men ook niet zeggen, dat genoemde moderne artisten bij dat verleden niets te beteekenen hebben, zonder gevaar te loopen (en dit is dan nog het geringste gevaar) dat de tegenstander deze platitude pareert met de repliek, dat de huidige geuzenliederen etc. het niet halen bij het geuzenlied van eertijds.
Ik wil maar zeggen: men kan overtuigd zijn van de dienende functie van de kunst; doch met deze eisch kan men weinig (scherpe) normen opstellen aangaande het ,,hoe” en het ,,wat” van het kunstwerk dat een specimen van levende, waarlijk-nationale, van ,,dienende” kunst is. Artistiek werk, dat het kunstdoel dient (het maken van mooie dingen) en daarbij de schepping is van een persoonlijkheid (en een persoonlijkheid arbeidt, gelijk wij zeiden, onvermijdelijk aan zijn menschelijke zelfperfectie) is altijd dienend, is altijd regenereerend: het activeert, verheldert, veredelt, verfijnt, verscherpt ons bewustzijnsleven d.w.z. het bèste dat de mensch bezit. Men kan aangaande een levende nationale kunst weinig concrete, weinig positieve eischen stellen; noch aangaande haar vorm (tenzij zuiver artistieke), noch aangaande haar inhoud. Men kan alleen ènkele voorwaarden scheppen voor het ontstaan van een kunst, die, méér dan tot dusver, wortelt in de eenvoudige (d.i. diepzinnige) en verheven goedheid van het leven. Een dier voorwaarden is een samenleving, een menschelijk samen-leven, waaruit men zich niet, als eenigszins fijner besnaard mensch, met walging, beschaamd over zijn mede-menschen, behoeft terug te trekken. Naarmate dit samenleven werkelijkheid wordt, ontstaat die atmosfeer, waarin ook de kunstenaar ruimer, zuiverder ademhaalt, verbon-

670

















aangemaakt: 01-08-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 01-08-2012