MARSMAN ALS CRITICUS

als hij (objectief, ach ja, ,,objectief”) iemands beteekenis kan be­twisten, besnoejen, aantasten, — aanranden ook.
En overmits ook ik Hollander ben, is tempeldienst ook mij weinig eigen. Ik wil (moet) dit even opmerken, omdat ik zeggen ga, dat ik Marsman als criticus onvoorwaardelijk bewonder, — ook al heeft hij dan als zoodanig de beperkingen gehad die, onvermijdelijk, inhaerent zijn aan élke persoonlijkheid. Niet slechts reken ik hem tot een der beste, meest persoonlijke critici van zijn (zeer critische) generatie, maar hij staat, voor mij, als zoodanig ook schouderhoog boven degenen die hem hier het naast waren, — en ik zeg dit, hoe­wel ik mij bewust ben met namen als Nijhoff, Ter Braak, Vestdijk, du Perron, Donker, ook Coster, een reeks ongemeen-voortreffelijke critici aan te duiden. Ik zie hem zoo, ik zag hem steeds zoo, ten eerste, omdat hij door en door artist was. Hij was, als criticus, door en door en exclusief artist: dichter, met een verfijnde, uiterst ge­voelig reageerende en tegelijk diep-peilende, en volkomen oor­spronkelijke intelligentie. Hij was tien maal méér dan alleen maar een ,,deskundig” ,,literair criticus”, en vele malen meer dan alleen maar een wat begaafder, verfijnder editie van ,,de dagblad-(tijd-schrift-)recensent”; hij was criticus in die zeldzame en hooge be­teekenis waarin ook Van Deyssel zulks was. Gevoelig (en intelli­gent) tot in zijn vingertoppen, reageerde zijn geheele persoon (geest, hart, lichaam, zenuwen en zintuigen) op het subtiele organisme dat een gedicht, een literair kunstwerk is. Hij openbaarde een ge­voeligheid in het doorgronden van vorm-problemen, in het be­tasten van het poëtisch geheim, in het aftasten van het lichaam van een gedicht, die geheel uniek is gebleven. Inderdaad: ,,over het orphisch element in het dichterlijk scheppingsproces heeft hij uit­spraken gedaan, die voor dichters de definitieve uitdrukking en formuleering beteekenden van wat door hen wel vaak werd ver­moed, doch zelden (en nooit zoo scherp) bewust was gemaakt.” (Binnendijk). Ten tweede: deze gevoeligheid kon zichzelf zeldzaam penetrant — lucide, scherpzinnig en plastisch — onder woorden brengen, mededeelen. Ook hier was hij tien maal meer dan alleen maar ,,literair criticus”: scheppend en oorspronkelijk prozaïst — met de hartstochtelijke dynamiek van iemand, die zich geheel

450

















aangemaakt: 01-08-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 01-08-2012