terug

Maria Goretti
, samenvatting


Voel je niet, hoe abstract het geweld moet blijven, en hoe abstract je geweten, wanneer je tot geweld besluit. Voel je niet hoe laf die moed, hoe gewetenloos dat geweten is?

Inhoud
0. Voorspel
1. Eerste bedrijf
    1.1. Verdeeld in onszelf
    1.2. De revolutie zijn
    1.3. Een waarheid liefhebben om een andere te ontvluchten
    1.4. De werkelijkheid bij de familie Goretti
2. Tweede Bedrijf
    1.5. De werkelijkheid van Laura tegenover die van Maria
    2.6. Wroeging
    2.7. De eisen van de plicht of de rechten van het hart
    2.8. Levensbewustzijn
    2.9. De complicaties van de revolutie
3. Derde Bedrijf
    3.10. Maria Vermoord
    3.12. Giovanna, de misvormde, zij moet niét zijn, niets zijn
    3.13 I.    Bondgenoten
    3.13 II.   Caracci is verbitterd door Lorenzo's daad
    3.13 III.  Waarheid en leugen
    3.13 IV. De geboorte van een nieuwe wereld
4. Nawoord

Voorspel
Het voorspel is een luchtige introductie op het eigenlijke verhaal, dat zich afspeelt tijdens een revolutie.
De schrijver hoopt, dat in een verre toekomst er wellicht nog eens een revolutie zal plaatsvinden die niet meer is gebaseerd op "het doel heiligt de middelen", maar waarvoor zal gelden dat de zuiverheid der middelen het doel heiligt.
Het spel gaat niet alleen over het voeren van een revolutie met alle bijbehorende perikelen, maar ook over het huwelijk versus een religieuze roeping.

INLEIDER:
'misschien zou later, veel later, de nieuwe beweging opstaan, met vlaggen en een nieuwe geest. - Misschien zullen de leden van de nieuwe partij monnikspijen dragen en prediken dat alleen de zuiverheid der middelen het doel kan heiligen.'

1-STE VRIEND:
Het is nog anders: ik denk aan mystici, die een revolutie realiseren, rechtstreeks, en op natuurlijk gebied.

Maar het drama handelt toch bovenal, getuige het einde van het voorspel, over leven, waarmee Bruning doelt op het, binnen de realiteiten van het gewone leven, hoogst persoonlijke zichzelf verwerkelijken. Of zo als hij dat elders heeft verwoord: "Zooals een bloem, die slechts worden moest wat zij als zaad reeds was, zoo hebben ook wij geen andere opdracht in dit leven dan ons zelf te worden."

INLEIDER:
Ook het spel dat nu volgt, heeft maar een bescheiden functie! Léven, dames en heren, léven, dat is onze kans, onze enige. Maar wij leven niet!

Eerste bedrijf, eerste toneel Verdeeld in onszelf

In het eerste toneel wordt, in een gesprek tussen de twee gelieven (Maria Goretti - die overweegt het klooster in te gaan - en Lorenzo Costa) de centrale probleemstelling van het stuk aan de orde gesteld: het léven eerbiedigen en de mens liefhebben vanuit een politieke/natuurlijke (Lorenzo) dan wel vanuit een religieuze gedrevenheid (Maria). In dit eerste toneel komt voornamelijk het laatste aspekt aan bod.

Maria, die alle mensen beminde door haar liefde voor Lorenzo, voelt zich bezwaard, alsof zij een vals spel speelt met haar edelmoedige revolutionnaire activiteiten, tegenover de mensen voor wie zij opkomt.

MARIA:
Maar hoe gemakkelijk is het edelmoedig te zijn als men gelukkig is. En hoe onrechtmatig, welk vals spel, dan de anderen - de vernederden en vereenzaamden, en ze zijn zo velen - aan te sporen anders te zijn, beter, en het lagere in zichzelf te overwinnen. Lorenzo, wanneer ik tegenover hen woorden bezig als zelfverloochening, eerbied voor de medemens, innerlijke vrijheid, menswaardig leven, voel ik me vaak zo besmeurd en vol bedrog.

Lorenzo brengt daar de menselijke verdeeldheid tegenin alsmede de plicht om te spreken en de onmogelijkheid om elke vorm van schuld te voorkomen.

LORENZO:
Misschien is het deze, dat we in ons handelen geheel zuiver willen zijn, zonder wroeging, terwijl wij mensen altijd in onszelf verdeeld en onzuiver zijn. Recht van spreken, Maria, hebben we geen van allen, hebben we misschien nooit, de plicht van spreken hebben we altijd. Op rechten kunnen we ons niet beroepen, maar aan die plicht mogen we ons nooit onttrekken. Maria, geheel schuldeloos tegenover de mensen willen staan betekent: van hen heengaan, en dit is een nieuwe zware schuld op ons laden.

Leven wordt alleen door leven tot waarheid gezuiverd...



Eerste bedrijf, tweede toneel De revolutie zijn

Op de redactie van het dagblad bespreken de hoofdredacteur (Caracci) en zijn medewerker (Belotto) het toetreden van enige nieuwe leden tot hun partij.

CARACCI: Een strijdbaar dichterschap impliceert slechts zelden een strijdbaar mens. Maar goed, tenslotte kan dit toch geen beletsel zijn om hem als lid te aanvaarden. Doch maak je geen te grote illusies over hem.

Eerlijke gewetens zijn er genoeg, en moedige ook. Maar eerlijkheid en moed als de wilsdaad van een zo helder geweten

het voze terzijde van zovele intellecten die de moed missen verder te gaan dan hun woord.

Ook wordt de essentie van de revolutie besproken: het recht op, het doel van en de juiste uitvoering van de revolutie .

Neen, voor hem was de moed tot revolutie geen probleem. Wel het recht ertoe.
Essentiëler. Het persoonlijk recht om de revolutie te zijn, die objectief recht is geworden, ontlenen wij exclusief aan ons eigen zijn.
zijn wij bekwaam - niet alleen om een revolutie te beginnen, maar ook om haar te voltooien.

is er nog slechts een houding die ’t revolutionnair gevecht rechtvaardigt en redt: die van rust, - rust die de tegenstellingen beheerst: strijden zonder persoonlijke rancunes.

Tot slot wordt een nieuwe levenswil helpen voorbereiden de opdracht voor Belotto.

jij moet een nieuwe levenswil helpen voorbereiden. Jij kunt dat. Jij haat niet. Jij ziet in elke, strijd, ook in die van onze vijanden, de vormwil van de menselijke scheppingskracht werkzaam, het vormgeven aan essentiële waarden. Die realiteit is trouwens ook de enige rechtsgrond van de vrijheid. Elke andere overtuiging vernietigt mét de vrijheid de vormkracht van het leven, en ontaardt tenslotte in wederzijdse haat. En haat verslindt, en vóor alles: hij vernielt de mens in onszelf.



Eerste bedrijf, derde toneel Een waarheid liefhebben om een andere waarheid - die we vrezen - te ontvluchten?

Gesprek van Laura met Lorenzo over diens geliefde Maria.
(De levenshouding van Laura komt in het vijfde toneel voor het voetlicht.) Maria lijkt nu een levensroeping, een leven voor God, te hebben anders dan Lorenzo met zijn levensroeping, het beminnen der aarde

LAURA: Neen, tussen jullie staat niet haar roeping. Haar geloof in jullie strijd werd ondermijnd.
Nu ze niet meer volstrekt de daad kan behoren, wil ze het volstrekte offer zijn.

Lorenzo verwoordt zijn waarheid:

LORENZO: Ach . . . . God. . . . . God. . . . . [liefhebben.] De aarde is de enige die we kunnen liefhebben. . . . Haar schoon beminnen, overeenkomstig de orde die God de dingen heeft ingeschapen, is de enige liefde die we Hem kunnen geven. . . . Ach, en Maria. . . . Maria, die deze aarde niet meer telt. . . .

Waarom moeten we onze trouw aan een waarheid altijd bezoedelen.

Laura zet alle waarheden op losse schroeven:

LAURA: Misschien laat het zich ook anders zeggen. Is jouw waarheid een droom, of is Maria’s droom een waarheid; of worden wij allen ingesponnen in een begoocheling, en kan niemand de sluiers verbreken.

ontvluchten in ’zekerheden’, - die trieste maakselen van onze handen. Is ons weten iets anders dan een vlucht in ficties, waarmede we het leven leefbaar maken?

De waarheid die we vrezen. . . . Misschien vrezen we alleen het lichaam. . . .

Onze waarheden zijn het produkt van onze eigen geest, het lichaam zelf is daarentegen veel aardser en daardoor ook ongrijpbaarder?

Eerste bedrijf, vierde toneel De werkelijkheid bij de familie Goretti

Giovanna wordt ontsierd door een scherp litteken in haar gezicht, ontstaan bij haar geboorte. Háár handicap is niet alleen voor haar, maar voor het hele gezin en iedereen die met haar te maken heeft een ongemak. Giovanna is zich dat terdege bewust.

GIOVANNA: Ik had er niet moeten zijn.

Tegen haar vader:

Zonder mij had je geen enkele wroeging gekend. Zonder mij was je armoede nog een paradijs geweest. Dat je mij niet verdraagt, dat ik je altijd geërgerd heb. . . .

. . . dat is om dezelfde reden als waarom je jezelf altijd in een hoek hebt laten duwen en hebt laten vernederen, en waarom je de gemeenheid en het onrecht om je heen niet hebt willen zien. Dat wegkruipen. . . . voor de wérkelijkheid.

Door dat alles heeft zij ook haar geloof in het gebed verloren.

Waarin bestond die (vroomheid). In berusten, bidden; vertrouwen, en dan wéer bidden. . . . En aanvaarden als geen gebed ooit verhoord werd. Je hebt nooit het leven onder ogen durven zien, daarom heb je altijd opgezien naar een Christus die gestorven is, die alles duldde, die zich liet vernietigen. Hoe geruststellend! En wat ’n uitkomst!

In ieder geval was Hij (Christus) het tegendeel van angst en berusting. Angst en afweren, dat is eigenlijk de hele vroomheid, het hele ’geluk’ hier. Of anderen daarin kunnen ademen, of zij recht hebben op nog een ander geluk, - dat is nooit een vraag geweest.

Dankzij haar handicap is Giovanna een strijdbare vrouw geworden en heeft een heftige afkeer tegen het gebed gekregen.

Ik bidden! Mezelf leren uitwissen! Omdat dat mijn geluk is?! Of omdat de anderen me dan als werkelijkheid kunnen vergeten en dat hun vrede is? Maar ik ben. Ik ben de mismaakte die ik ben. Ik ben die ik ben. Die ben ik. - Ik bidden als Maria! die ook zichzelf en het leven ontvlucht en verraadt! Jullie. . . . jullie zijn slachtoffer. Maar zij, met haar nonnenroeping! wist je dat al? met haar nonnenroeping! wil dat verraad aan de aarde zijn, zelf zijn, in levende lijve en ’volmaakt’ zijn! Hahaha! O, ik haat haar zo. Soms denk ik dat ik God zou kunnen danken als heel die wereld verdelgd werd. Alsof ik alleen op dat moment wacht. Alsof dát wachten mijn diepste waarheid is.

Na deze heftige uitbarsting poogt haar moeder de zaak te sussen:

LUCIA: Giovanna, ik weet ’t wel, alles wat we voor jou aan goedheid hebben willen zijn, dat heeft je altijd gekwetst.

Maar later, Giovanna, toen ook jij deelnam, met Maria en de anderen, aan de strijd waarin je geloofde, ben je toch echt blij geweest, gelukkig. Is het niet zo? Dan weet je toch, dat ook voor jou het leven vervulling kan zijn.

Geloof je niet dat we altijd het beste hebben gewild, alleen voor jou. . . .

Maar Giovanna laat zich niet sussen en keert zich nu tegen haar zuster.

GIOVANNA: (tegen Maria) Heel onze wereld heb je afgewezen, - is ’t niet zo? Jij behoort een zoveel verhevener wereld. Niet éen vraag, die ons bezig houdt, houdt jou nog bezig. Niet éen wil, die onze wil is, boezemt jou nog belang in. Voor jou is dat allemaal voorbij. Inplaats daarvan sluit je ons nu in je hart, of wat hetzelfde is: glimlach je over ons.

Maria tracht zich te verweren tegen deze beschuldigingen.

MARIA: Kan men ánders dan zijn diepste waarheid volgen. . . .

GIOVANNA: Je bedoelt: kan men ánders dan zijn egoisme zijn!

Givanna wijst Maria op haar verantwoordelijkheid voor Lorenzo en waarschuwt haar deze niet op anderen af te schuiven

Ja, hij (Lorenzo) ’is’ zo heel anders. Maar weet je, wat jij van hem maakt? Aanvaard je de verantwoordelijkheid daarvoor? Aanvaard je de verantwoordelijkheid voor de gevólgen van je daden? Schuif die niet af op God. Wees niet laf. Antwoord. Aanvaard je die?

In het licht van de nog onbekende toekomst, kan Maria zich tegen deze zware beschuldiging opnieuw niet anders verweren.

MARIA: Giovanna. . . . Mag ik anders zijn dan mijn diepste waarheid. . . .

GIOVANNA: Je bedoelt: kan ik anders zijn dan mijn geluk!? Egoist!

Tweede bedrijf, vijfde toneel De werkelijkheid van Laura tegenover die van Maria

LAURA:Ik heb nooit kunnen ademen in een wereld, waar men me altijd zei: ’neen, dat is het niet’; waar men bij elk levensvertrouwen, dat ontgoocheling werd, klaarstond met: ’zie je wel, dat het dat niet is.’ Ik heb nooit werkelijk kunnen geloven in een God die het aardse leven zo moet bezoedelen, en dat we slechts als beroofden van Hem kunnen zijn. God is niet hebzuchtig. Niet op die manier.

Laura vond een andere manier van leven: God leven

Het was, alsof iemand me voortdurend voorhield: ademhalen, dieper ademhalen, nog dieper: ergens achter je longen, op je rug, moet op die manier een tweede ademhalingsorgaan openbreken. Daar moeten ook ogen komen, nieuwe ogen, een nieuw gehoororgaan ook, en nieuwe hersens. Als je dat bereikt hebt, leef je pas werkelijk. Je voorkant is van geen belang; die is er alleen om je door dit tijdelijke voorwaarts te bewegen, maar léven doe je aan je achterkant, daar zie je pas werkelijk, daar zie je en leef je God, en heel de rest doet er niet toe. Je loopt nog voorwaarts, maar in werkelijkheid schuif je aldoor achterwaarts door het leven, zonder samenhang ermee, zonder eerbied ervoor.

Maar ook dat is ze kwijtgeraakt en er restte alleen te leven voor eigen rekening

Dat. . . . dat achterwaarts voorwaartsschuiven moet dan hét leven zijn. Zo ben je ’vreemdeling’ hier. Zo verwerkelijk je de wijsheid van God die dwaasheid is voor de mensen! - Misschien heb ik het te ernstig beproefd; misschien was ik nog te jong toen: waarheden moet men klaarblijkelijk niet te ernstig leven, je stoot er dan onherroepelijk doorheen. Het is alles plotseling van me afgevallen. Jaren geleden. Zonder pijn. Alsof ik alleen een leugen armer was geworden. Daarna. . . . Daarna leef je voor eigen rekening. Dan is er plotseling alleen het geluk en de roes van het leven, - en de ramp ervan, maar dat laatste tel je niet. Je leeft. Je staat in de werkelijkheid. Er is de aarde. En dat is tenminste een waarheid.

En een weg terug bestond er helaas niet meer.

Er gebeuren dan dingen die je niet wilt, die je beschamen, die je met wroeging vervullen. Het wordt alles zo anders dan je geloofde, zo walgelijk soms. Eigenlijk moest je op je schreden terugkeren en zeggen: ’zie je wel, dat het dit niet is’. Maar de weg terug is versperd. Niet omdat het slechte de overhand in je heeft, maar omdat die leugen, van vroeger, leugen is gebleven. Neen, ook daarna niet, toen nog minder, kon ik God op die wijze toebehoren.

Uiteindelijk vond zij haar eigen waarheid: trouw aan de aarde en de mens

- Mijn waarheid vond ik, toen ik jou, en Lorenzo, en met jullie al de anderen ontmoette. Toen ging er werkelijk een nieuwe levensruimte voor me open. Deze sterke, heldere bereidheid tot de aarde; deze trouw aan de mens; dit geloof in de mens - ondanks al zijn tekorten; jullie wil tot recht - zonder haat; tot vrijheid - ook voor de vijanden; die diepe blijdschap om het leven - als een proces van scheppende krachten, en daarom met grote plichten. Ach ja, zó - in deze scheppende trouw aan de aarde en aan de mens God beminnen en dankbaar zijn; dat was een waarheid, die mij het leven, het beproeven waard scheen. Maria, . . . . dat jij dat alles losliet.... Zegt dat vroegere je dan niets meer.

Voor Maria ligt dat anders

MARIA: Er is een trouw aan de aarde, die de goedheid der aarde niet voor zichzelf verlangt. - Laura, van niemand zijn, om alles voor allen te zijn.

LAURA: Vrees je niet, dat je enkel een droom najaagt, een drogbeeld, en dan misschien een vreselijk: dat je, inplaats van in te keren eindelijk tot het leven, het leven in jezelf vernietigt.

Laura vreest het verlies van Maria voor de revolutie.

In de eenzaamheid - en daarin leef je reeds! - in de eenzaamheid spreekt men misschien slechts met zichzelf. En is het wel zeker, dat men dan niét met zijn vijand spreekt. We zijn zo vaak onze eigen vijand. Maria, hoeveel zou je voor Lorenzo kunnen zijn; en hoeveel, door hem, voor de anderen. Door hem ben je alles voor allen.

Maar Maria heeft haar geloof in de revolutie verloren.

MARIA: Ik kan niet meer zo onvoorwaardelijk in de revolutie geloven.

Ik geloof wel in de mannen die haar leiden, maar zo weinig nog in de menigte achter hen, die vele verwarden, hebzuchtigen, eerzuchtigen, de vele, vele verbitterden. Giovanna - ik ben niet beter dan zij, ik ben niet beter - Giovanna heeft mij zoveel te denken gegeven - over mijzelf, over haar, over de anderen. De beproevingen der mensen zijn zo bitter vaak; het onrecht is zo langdurig geweest; het heeft alles zo diepe verwoestingen aangericht, in de ziel van de mens; de zielen zijn te lang eenzaam geweest, alleen met zichzelf, met hun ellende, hun grieven en bitterheden. . . . Dat geneest men niet met een revolutie.

Er zijn te velen voor wie een revolutie geen genezing biedt

Het zijn die ongeheelde wonden, die mijn daden van hun zin beroofden. . . . Giovanna heeft mij veel verweten, maar om éen verwijt zal ik haar steeds dankbaar blijven: dat de naastenliefde van een gelukkig mens altijd leugen is, zelfbedrog, een bedriegen van hen die de meest beroofden zijn. Welk recht van spreken heb ik. . . . tegenover Giovanna. . . .

Daarom ziet zij voor haarzelf maar een oplossing.

Alleen het goede leven zijn. . . . Dat wat voor mij het goede is. . . .

Laura, anderen zouden misschien antwoorden, dat elke goedheid genaden verzamelt die God doorgeeft, en dat daarom geen heil ongedeeld is. Maar ik. . . . ik kan uit die gedachte geen troost putten. Ik handel zo als ik handel, omdat ik niet anders kan handelen. Daarin is geen verdienste. - Maar elk leven dat goed is - met of zonder verdienste - deelt zich mee, zoals ook elk leven dat slecht is zichzelf meedeelt.

Het goede leven zijn betekent voor haar waarlijk mens zijn.

Moet een bloem verdiensten verzamelen om in ons mensen het goede te wekken. Zij is zoals zij zijn moet, en door haar schoonheid openbaart zich God. Hoeveel meer doet Hij dit in de goede mens. ’Hoe schoon toch is de mens als hij waarlijk mens is!’ - Neen, Laura, ongedeeld is ons heil nooit. - Maar zal ik het goede leven goed zijn. . . .

De schoonheid van de aarde is een getuigenis van: God is liefde

Geen bloem leeft nutteloos. Alle leven heeft reeds door zijn bestaan een functie in het geheel. En dat er overal in het heelal sterren zijn, die nog door niemand zijn gezien, en ook door niemand gezien zullen worden, dat vervult me misschien nog meer van God dan de sterren die ik elke nacht aanschouw. Laura, zie je niet hoe prachtig vanavond de aarde is? Hoe vredig, - en vol geuren van onzichtbaar leven. Kun je geloven dat God niét liefde is: dat er iets zinloos is - in Hem, die déze aarde deed worden.

Maria is zich bewust van de keerzijde van haar waarheid.

Ik moet het aanvaarden, dat ik pijnig die ik het meest liefheb. Maar het zal niet zo blijven, Laura, het zal niet zo blijven.

LAURA: Men zegt dat het vreeswekkend is in handen te vallen van de levende God. . . .

MARIA: Ja. . . . een Ander zal ons omgorden, en brengen waar we niet wilden. . . .

LAURA: Maar het is niet minder een vloek, in handen te vallen van de aarde.

Tweede bedrijf, zesde toneel Wroeging

Gesprek tussen Lorenzo en Maria
Lorenzo is teleurgesteld in Maria.

LORENZO: Is alles wat ons verbonden heeft, wat de zin, de waarheid, het geluk van ons bestaan is geweest, niet méér voor je dan een droom die niets heeft achtergelaten?

Maria voelt zich schuldig.

MARIA: Wist je, hoe arm ik mij voel. . . . Je droom is zo waar. . . .

Het is alsof ik mezelf steeds dieper nader. Als dat zo is - is het zo? O, Lorenzo, waarom heb ik dit niet herkend voor ik je liefkreeg.

Maria herinnert Lorenzo aan hun gemeenschappelijke waarheid.

Ik weet het niet, ik weet het niet. Was onze waarheid niet altijd deze, dat we, wat we als het goede zouden herkennen, ook zouden volgen, hoe zwaar het zou vallen. Moeten we deze waarheid verloochenen, nu zij, inplaats van te geven, zoals zij altijd deed, van ons gaat vragen? Lorenzo, ik wil geen pijn doen. Het is ons beider waarheid, die ons beiden pijnigt. - En vraagt ze niet aan ons beiden hetzelfde: vólgen,. . . .

. . . . geloven aan het leven. . . . door trouw te zijn aan de waarheden van het leven.

Lorenzo is wanhopig.

LORENZO: Heb je niet alle waarheid waardeloos voor me gemaakt. - Trof me een kogel. . . . de revolutie zou voor jou en mij een verlossing zijn.

Tweede bedrijf, zevende toneel De eisen van de plicht of de rechten van het hart?

Gesprek tussen Lorenzo en anderen van de revolutie.
Lorenzo beseft dat Maria voor hem verloren is.

LORENZO: Dat was haar afscheid. Ze behoort me niet meer. . . . Behoort ze me niet meer?

Maar Caracci heeft op dit moment belangrijker zaken aan zijn hoofd.

CARACCI: Lorenzo, niet bitter - Nu er beslist gaat worden over het lot van onze revolutie, mógen we niet onszelf behoren. De greep naar de macht is slechts uitvoerbaar. . . .

BELOTTO: Doe wat je geweten je voorschrijft; en bedenk: wat je ook beslist, voor ons blijf je steeds dezelfde. We zullen het begrijpen. Tussen de eisen van de plicht en de rechten van het hart. . . .

Ook Belotto is diezelfde mening toegedaan.

En moet de strijd van dit ogenblik, om de toekomst van een volk, geen groter waarde worden toegekend dan ons eigen kortstondig, persoonlijk lot.

Lorenzo beseft dat er iets essentiëlers speelt tussen hem en Maria, zelfs essentiëler dan de huidige strijd..

LORENZO: Neen, die welke in Maria en mij om een beslissing vecht, - misschien is die belangrijker voor de toekomst dan heel de strijd van dit moment. Misschien wordt hier de meest centrale vraag gesteld. Bestond die vraag enkel in abstracto. - Maar ze bestaat in twee levenden, die geen keus hebben. - Maar goed, Pietro, laten we het stellen als een twist tussen hart en plicht! Wat kiest men dan? Als man! Natuurlijk. . . .

Tweede bedrijf, achtste toneel Levensbewustzijn

Massimo, de dichter, spreekt met Zuccari, revolutionnair en broer van Laura.
Het probleem dat tussen hen speelt is de vraag of het doel van de revolutie, het heil der gemeenschap, een strijd waarin doden zullen vallen rechtvaardigt.

MASSIMO: Niet éen waarheid is het sterven waard, laat staan het doden!

ZUCARRI: Overwinnen is de enige plicht en wil van hen die het heil der gemeenschap behoeden. Ook Caracci begreep dit van meetaf.

De enige weg, om de doden te voorkomen, lijkt de lange en tijdrovende weg van gezag worden.

MASSIMO: Neen neen. Van meetaf begreep Caracci het als zijn plicht: gezag te worden. Thans is hij gewikkeld in een gewelddadige strijd om de macht.

Het macht-zijn van een minderheid corrumpeert én de macht én de waarheid én de revolutie.

Zucarri lijkt de schuld buiten de revolutie te plaatsen.

ZUCARRI: Het leven. . . . corrumpeert én de macht én de waarheid én de mens. Dát gevaar ontkomen we nooit. Zonder schuld in het leven willen staan, is slechts een nieuw vergrijp aan het leven toevoegen.

Massimo voorziet een hoop ellende als de revolutie is geslaagd dankzij het macht worden van een minderheid, die ontoereikend is om de revolutie na zo'n overwinning te kunnen handhaven.

MASSIMO: Besef je, welk een leger van jakhalzen op het machtsapparaat van een minderheid neerstrijkt? Op alle open plekken in de hiërarchie - en die zijn talloos - moeten die lieden worden aanvaard. En in samenwerking met hen zou het heil geboren worden!? Maak je geen illusies. Die lieden kennen alleen hun ’rechten’ op de vruchten van een overwinning; de plichten van een overwinning laten hen steenkoud!

Massimo refereert aan een natuurwet, die ook in de bijbel voorkomt.

Het geweld is een inbreuk op de wetten van het leven. Daarom vernietigt het leven zelf die poging weer. Dat is de diepe zin van de waarheid, dat alwie het zwaard opneemt, ook door het zwaard vergaat.

Tweede bedrijf, negende toneel De complicaties van de revolutie

De revolutionnairen onderling.
Caracci brengt de zelfverwerkeling in herinnering.

CARACCI: Wat hebben we meer lief dan het éne moment, dat het ons gegeven is onszelf te zijn. Deze drift telt geen dood; en al evenmin het leven. Wat is een leven, waarin we onszelf niet zijn. - En wat zou ons terug doen deinzen voor een dood, die zelfbevestiging is.

Belotto zoekt het wat praktischer.

BELOTTO: Het verlangen ons werk te voltooien, - voort te leven daarin.

Caracci begrijpt dat er van een voltooien nooit sprake kan zijn.

CARACCI: Te voltooien. . . . Ons is alleen het voorbereiden.

Caracci licht zíjn waarheid over rechtvaardigheid toe en de consequenties van het scheppend worden...

de edelste geesten kenden het vergeven niet enkel als een act van liefde, maar allereerst als een daad van rechtvaardigheid. Zij verstonden zoveel. Geloof je, dat de goddelijke Gerechtigheid boosaardiger is? - Neen, de sfeer van mijn leven werd een andere. Vroeger. . . . Vroeger zag ik het leven als zonde en schuld, en het lijden daarom als boete en straf. Maar er is geen wórden mogelijk zonder als voorwaarde het onvolkomene. En er is geen onvolkomenheid mogelijk zonder als onvermijdelijk gevolg het lijden. Ook het smartelijkste is daarvan gevolg. Heel deze wereld is een durend scheppend worden. Dat is haar grote schoonheid, haar schone en bittere smart ook. - Een straf? Ook dit scheppend worden een straf? Maar dan op een geheel ander plan. Men zou willen spreken van een gelukkige straf, zoals er gesproken is van een ’gelukkige schuld’.

BELOTTO: Er is ook een onvolkomenheid door persoonlijke schuld. . . .

en daarmee ook van de persoonlijke schuld, als gevolg van de persoonlijke trouw en onttrouw.

CARACCI: Met het onvolkomene en wordende is schuld - ook de persoonlijke - als onvermijdelijkheid én vrijheid gegeven. Ergens is de mens vrij in zijn trouw en in zijn mogelijkheden. En daarom ook in zijn ontrouw. - Maar mijn diepste levensgevoel tegenover God is er geen van wroeging, ondanks alle wroeging, doch van dankbaarheid. - Trouwens, wat ik als zo schoon ervaar - dit aardse leven! - kan ik niet tegelijk als iets waardeloos verraden. Ook dat is een onvermijdelijkheid, - en mijn ónvrijheid. Ik ben zwak, maar aan dit leven verraad plegen.... Neen, dan zou het leven op een geheel andere wijze van mij bezit moeten hebben genomen.

Lorenzo bekijkt het ideaal van de revolutie, tengevolge van zijn ervaring met Maria, nu wat cynischer.

LORENZO: De onschuld was ons aller geluk. Ik schijn de eerste die uit die hemel omlaagvalt. De eerste? Je hebt gelijk: niet pathetisch zijn. Er wordt een plank onder je weggetrokken, en je hangt met je strot in een strop. - Neen, maak je geen illusies. Herinner je: de zekerheid als een geheel van nuttige en noodzakelijke ficties. Ik ben zendeling-áf. Coulissen op stellen? Met fraaie vergezichten? ’n Kwestie van verf: van mengen en uitstrijken. Ik mis die ijver, en hij zal ook wel niet meer terugkeren. Onbegrijpelijk, niet? Ach ja, schermen laten neerdalen, met fraaie illusies beschilderd: de geschiedenis van de geschiedenis! En ze getuigen van onze scheppende levenskracht! Nietwaar? Dank zij onze verbeeldingskracht.

Het ideaal van de revolutie lijkt hem meer een grote leugen.

Niet áchter de schermen zien. Daar is alles verveloos, hol en stil. Ontdekte je het? We zijn niet het laatste willen van de mens. Ontdekte je het? Ontdekte je onze grote leugen? Maar onze leugen willen we zijn. Hij is de grondslag van onze ’persoonlijkheid’! Die leugen weigeren te zijn, zou betekenen: niets willen zijn. We weigeren dan ook niet. Natuurlijk niet. - Doch laat ik niet storen.. Ik vind m’n weg wel. Neen, maak je geen zorgen meer. Ik heb gedaan wat je vroeg: ik heb me ’gegeven’, ‘volledig ingezet’! Voor de ’plicht’, herinner je! Het succes ervan is je bekend nu. Laat het voldoende zijn.

Een mán zijn! Zie je niet, dat ik geen man ben. De ’grote toewijding’ was slechts zoeken naar de ’grote verdoving’. Wist je dat niet? Het moment was ook niet bijster geschikt. Er is een bepaalde stemming nodig om het geweld te waarderen. Anders smaakt het niet. Misschien is het met alles zo. Neen, het smaakte niet.

Belotto beziet het als een tijdelijke inpasse.

BELOTTO: We moeten door dit moment heen.

Maar Lorenzo vermoedt de onbedoelde consequenties van elke daad.

LORENZO: Alleen: geen moment dat we in ons bestaan toelieten, laat zich ongedaan maken.

Het heil van de revolutie vereist een volledige inzet.

CARACCI: Lorenzo, er is slechts éen wil, die mensen als ons het recht geeft te staan waar we staan: de wil sterker te zijn dan ons persoonlijk lot. Waar wij staan moeten, staan alleen de sterken. Als wij zwakker zijn dan ons persoonlijk lot, gaan we ellendiger dan de ellendigste te gronde.

BELOTTO: Terwijl hij (Lorenzo) reeds twijfelde aan het recht van de strijd. Op elke vuurlijn van het leven wordt hij teruggeslagen. Overal voelt hij zich verraden.

Als een figuur als Maria Goretti zich terugtrekt uit de revolutionnaire strijd, dan is dat reden voor Caracci om vraagtekens te plaatsen bij hun strijd.

CARACCI: Wij hebben de levenswil verhevigd. Ook dat heeft gevolgen: het doorstoten tot waarheden als die van Maria Goretti; of dieper vertwijfeling, als het geloof in het leven verraden schijnt. - En dan, Pietro (Belotto): Maria Goretti verliest men niet zonder in het schoonste van zichzelf beschaamd te worden.

Belotto kan het alleen maar zien als een onbegrijpelijke wens om non te worden.

BELOTTO: Maar waarmee is het helder vuur van haar leven geëindigd! Met ’t ideaal non te worden! Voor Lorenzo de meest redeloze vernedering van zijn liefde en van zijn levensgeloof. Het is krenkender dan de verstandsverbijstering van een vrouw die men liefheeft. Lorenzo herinnert me aan die jonge dokter wiens vrouw in het eerste jaar van hun huwelijk verdronk en die zich toen uren lang afbeulde om de levensgeesten op te wekken. Vergeefs. En Lorenzo. . . . Hij gelooft nog steeds, dat zij tot het leven terugkeert. . . .

Caracci begrijpt echter dat Maria op een dieper plan leefde.

CARACCI: Het is anders, Pietro, - en schoner. – ’Wij bereiken niet allen’, heeft ze me eens, lang geleden, op haar stille, nadenkende en tegelijk hevige wijze gezegd; en reeds toen vreesde ik, dat zij dieper leefde dan het plan waarop een revolutie als de onze gevoerd wordt. Ze zei het zo wanhopig gelaten. Als voorvoelde zij reeds toen, dat zij met dit bewustzijn werd prijsgegeven aan een hartstocht waaraan zij eens gehoor zou moeten geven.

Haar wezen wil de onverdeelde liefde. . . . Ook Lorenzo beseft dit. . . . Dat is zijn wanhoop. - Herinner je je niet, hoe hij zei, dat in de tweespalt tussen hen misschien de meest centrale vraag der revolutie werd uitgestreden?

... op het plan van de onverdeelde liefde; liefde voor elke mens, ook die uit het andere kamp.

Inderdaad, wij bereiken niet allen. - Wij kennen die wroeging, maar we zijn haar niet. Bij haar is deze wroeging het diepste van haar persoonlijkheid. Daarmee stiet zij door tot de grond van haar wezen - en raakte zij een dieper werkelijkheid van het leven dan wij vertegenwoordigen. - Ja, Maria Goretti vertegenwoordigt een van die zeldzame momenten van menselijke zuiverheid, die voldoende zouden zijn om het aanschijn der wereld te veranderen. - Die onrust verteerde op de duur al het andere in haar, als een zuur dat geleidelijk ook het sterkste metaal verteert.

De mogelijkheid die gevoelens te behoren. Dat is het smartelijke. Zij kan die stem in haar niet het zwijgen opleggen zonder zichzelf te vernietigen.

BELOTTO: ’Wat hebben we meer lief dan het ene moment waarin het ons gegeven is onszelf te zijn’! . . .

CARACCI: Kon Lorenzo maar geloven dat hij tegen een leugen vocht. Maar hij weet, hij vecht tegen een dieper waarheid.

Voor Lorenzo was de roeping van Maria een leugen, maar mogelijk voelt hij dat haar roeping een waarheid is van een volslagen ander niveau.
Maar Belotto kan dat niet aanvoelen

BELOTTO: En Maria heeft geen andere plichten? . . . . [dan] ’Zichzelf’ te overwinnen. . . . Niet hém zo te doen lijden.

CARACCI: Zij zouden elkaar doen lijden.... Hun waarheden laten zich niet verbinden. . . . Het bittere hiervan is, dat ze hun belichaming vonden in twee mensenkinderen die elkaar liefhebben; en dat háár waarheid ook de onschuld van zijn leven wegnam; thans voelt hij ook zijn handelen besmeurd. . . . Maar het vernederendst werd misschien dat andere toch. . . . Dat hij Laura, zoals zij werd, als een mogelijkheid van zichzelf ontdekte. . . . Ook dat is zijn wanhoop, - en tevens zijn zuiverheid. . . . Om die zuiverheid van zijn wezen gelóof ik in hem. . . . Hij zal sterker zijn.

Laura maakt zich zorgen over de toestand waarin Lorenzo de bijeenkomst heeft verlaten.
De revolutie neemt een wending, het verzet tegen de revolutie gaat met succes in de tegenaanval.

Derde bedrijf, tiende toneel De moord op Maria

Ontmoeting van Lorenzo en Maria
Voor Lorenzo is Maria's keuze voor een nonnenleven nog steeds volkomen onbegrijpelijk

LORENZO: Dat je dat wil. - Dat je daar staat, - aan hun zijde. Hoe heb je vroeger over hen, hun ontrouw aan het leven, gesproken. En nu. . . .

MARIA: Ik ben aan mezelf gaan verstaan. . . .

Maria verdedigt zich. Zij zal de aarde (het natuurlijke leven) altijd trouw blijven.

. . . .uit welke drang zulk een leven oorspronkelijk geboren werd. Vroeger zag ik slechts, waartoe het verworden was. - Lorenzo, de aarde zal ik altijd zegenen. Zij zal altijd mijn blijdschap zijn. Ik ben haar niet ontrouw. Maar, ik. . . .

Maria wil er zijn voor voor allen in de samenleving en speciaal voor hen die binnen de samenleving nooit deel hadden aan het recht.

Lorenzo, elke orde, ook elke orde, dat is zo bitter, heeft haar armen en uitgestotenen: beproefden, wier wonden nooit geheeld worden. Daarom zei Christus: ’Armen zult ge altijd bij u hebben’. Dit woord is zo hard. De armsten, Lorenzo, zijn niet de slachtoffers van het onrecht, maar zij die nooit deel hebben aan het recht. Wie denkt aan hen - in het vreugdefeest van de eenheid en van het recht. ’Maar als ge maaltijd houdt, nodig dan de gebrekkigen, de armen; de kreupelen en blinden’, nodig hen die aan het leven-zelf vertwijfelden. . . .

In tegenstelling tot Lorenzo die zich wil inzetten voor zijn vrienden, wil Maria zich ook inzetten voor de "vijanden".

Lorenzo, die liefheeft legt zijn leven af voor zijn vrienden. Maar sommigen moeten dit voor hen, die eenieder als zijn vijand beschouwt: de innerlijk vereenzaamden, die geen vreugde kunnen vinden in wat de blijdschap is der anderen. Wie wil armer zijn dan zij, wie zich geven aan deze misdeelden. Lorenzo, voor deze armsten moeten er zijn, die waarlijk van alles beroofd, niet enkel: aan alles onthecht zijn.

Maria ziet het als haar opdracht om "zonder voorbehoud te zijn".

Misschien moet ik beproeven het daarom te moediger te zijn in alles waarin ik het kan zijn. Misschien heeft die onrust mijn diepste wezen blootgewoeld. . . . : het verlangen, zonder voorbehoud te zijn. Lorenzo, hoe moet ik het zeggen. . . . Onbevlekt blijven van elke vorm van zelfzucht. . . . Maagdelijk. . . . Misschien is dit het woord. . . . Maagdelijk. . . . Innerlijk door niets aangeraakt. . . .

Lorenzo wil haar niet begrijpen en voelt zich verstoten.

LORENZO: Zei je niet: elke waarheid heeft haar uitgestotenen. Ik ben het eerste slachtoffer van je waarheid. - Of behoor ik niet tot de armen die je altijd bij je hebt. Maria, reeds zoveel haat woelde je in me boven.

Desondanks gelloft Maria nog steeds in Lorenzo.

MARIA: Je bent zoveel sterker dan je bitterheid. Die bén je niet. De sterken keren altijd naar zichzelf terug. Dat is het noodlot der waarachtigen, - de enigen die ook waarlijk sterk zijn.

Lorenzo is totaal vertwijfeld.

LORENZO: Jij, jij zult mij altijd verscheuren. Waar ben je, zal ik altijd vragen, waar, waar. Ik zal het niet weten. Altijd zal ik je zoeken, en nooit zal ik je vinden. Geen van je gedachten zal ik nog kennen. Zijn ze voor mij? Zijn ze niet voor mij? Ben je gelukkig? Werd je vrede? Ontdekte je een gruwelijke leugen? Word je door door twijfel en wanhoop verteerd? Wil je terugkeren en kun je niet - zoals ’s nachts in mijn dromen. Ik zal het niet weten. Ook als je sterft, zal ik het niet weten, ik zal het niet weten, ik zal niet bij je zijn, ik niet, ik niet. Anderen zullen om je heen zijn, anderen die geen recht op je hebben, die je nooit liefhadden, die je gedachten nooit liefhadden, die je ziel nooit liefhadden, wien je dood even onverschillig laat als je leven hen liet, zij die niets van wat zuiver en vurig in je is geweest, hebben gekend of geteld, die je veracht hebben, zij. . . .

... en langzaam gaat zijn vertwijfeling over in woede naar haar toekomstige gezellinnen, die hij allerlei beschuldigingen naar het hoofd gooit.

Zij, - de wegbereidsters en de komende gezellinnen van je armoede! Zij wéten, hoe leugenachtig en leeg, hoe grauw en onvervuld hun bestaan is geworden, en toch willen ze datzelfde bij jou niet verijdelen. Integendeel. Als hongerige honden storten ze zich op je ziel als op een prooi.

Zij weten, dat ook jij daar je heil niet vindt, evenmin als zij. Zij weten, dat je je leven verwoest. Zij hebben dit aan zichzelf ondervonden; zij hebben aan zichzelf ervaren, hoe dit leven zich wreekt, leegte wordt.

Het wreekt zich. Het leven-zelf, het menselijke en aardse, werd afgewezen. Dat laat zich niet ongestraft verachten.

Die nonnen hebben niet alleen het aardse afgewezen, ook het hemelse en daarmee het "leven".

Dat, dát wreekt zich. De aarde behoort hen niet meer, maar de hemel behoort hen nog minder. Ze zijn niets. Precies zo als de duivel niets werd, toen hij weigerde te zijn waarvoor hij bestemd werd. Maria, buiten de staat waarvoor we bestemd zijn, is er alleen het niets. Hij weigerde engel te zijn, en hij werd niets; zij hebben geweigerd mens te zijn, en ook hun hoogmoed heeft zich gewroken met het niets dat hun straf werd.

Volgens Maria geldt dat niet alleen voor de nonnen.

MARIA: Elk leven dat zichzelf verloochent, wordt deze hel, Lorenzo. . . .

Lorenzo is niet voor rede vatbaar en tiert verder.

LORENZO: Zij beroepen zich op bovennatuurlijke vreugden! Maar met geen daad en geen woord kunnen ze die vreugde als hun bezit waarmaken! Hun enige ’vreugde’ is de gelatenheid in het niets, die ook de enige ’volmaaktheid’ en de enige toevlucht is ván het niets. Hun enige? Neen, luister: men zegt dat het satans wraak is, nu ook alle ander leven tot zijn niets te willen vernietigen. Diezelfde koude woede verslindt ook hen. Neen, zwijg nu, luister, ik zal spreken. Niets buiten hen mag tot een eigen zin geraken. Elke andere levenszin wordt daarom bezoedeld, arglistig besmeurd, gekleineerd, miskend, ontkend. Hun zelfbedrog duurt al zo lang dat ze zelfs hun eigen duistere haat-instincten niet meer herkennen. Ze leven hun wrok en hun wraak met een vrede, die inderdaad niet meer van deze wereld is. . . .

Lorenzo is niet alleen woedend hij hààt die nonnen!

Er is een haat, die ik nooit zal willen overwinnen. De haat, dat zij ook jouw ziel naderen, aanraken, met hun onreine handen en adem besmetten; dat zij jou bezitten! jou als een der hunnen beschouwen! Maria, hoe kun je willen in die misschapen wereld te leven en erdoor besmeurd te worden.

Ook al mocht Lorenzo tot op zekere hoogte gelijk hebben en leven zij allen in een bezoedelde wereld, Maria wil vast houden aan haar betere waarheid.

MARIA: Lorenzo, leefden we niet steeds in een bezoedelde wereld. Maar leefden we er niet zelf een betere waarheid? Dat heeft ons altijd behoed; dat zal ons blijven behoeden. - Lorenzo, verbittering verblindt je. Ze zijn niet zo. En velen zijn daar ook van goede wil.

Lorenzo is niet te stoppen en gaat steeds verder.

LORENZO: Zij zijn de diepst ontgoochelden, en ook de meest misvormden. De anderen, die zich wreken, schennen het menselijke; maar die deemoedigen-van-het-niets schennen het goddelijke. Slachtoffer zijn. Offerande zijn. Niets zijn. Zij verzamelen genaden. Maar de genade werkt niets uit: er blijken slechts doden die doden begraven. Verdragen: wij hebben het verdiend niets te zijn. Met de eigen leegte boete zijn. Met de eigen godverlatenheid boeten voor de Godverloochening der wereld. Thans zien wij nog in een duistere spiegel! En dit hier is alles Christus’ geschonden lichaam. Met hun leegte houden zij de wereld in stand! Zij lijden, maar ze voelen zich zo wel. Zij voelen zich zo wel in hun zwarte dracht van offerdier, van nachtdier, - een dracht die hún lichaam niet onteert. Maar ik wil niet. -

Ik wil niet, dat die dracht jouw lichaam besmeurt. Jij hebt niets met hen gemeen. Herken hen. Herken hen! Herken hun werken! Herken hun wanschapen armoede van geest. Herken deze ontledigden die zich de zin der aarde wanen; deze toekomstlozen, die wanen dat de aarde alleen door hen wordt vrijgekocht; die alleen met deze hoogmoed het niets van hun leven aankunnen. Niet aan hen wil ik je verliezen, niet zo vernederend, niet zo doelloos.

Op het toppunt van zijn razernij steekt Lorenzo in blinde woede Maria neer, en Maria stamelt haar laatste woorden.

MARIA: Hij. . . . hij wist niet. . . . wat hij deed. . . . Vader in de hemel. . . . vergeef hem. . . . Wat zei Lorenzo. . . . Geheel schuldeloos willen zijn. . . . betekent. . . . een nieuwe zware schuld. . . . op zich laden. . . . Deed ik toch verkeerd. . . . Was ik daarom een ergernis. . . . [kreunend:] Vader in de hemel. . . . , Lorenzo, . . . . Laura, . . . . vergeef me. . .

Derde bedrijf, twaalfde toneel Giovanna, de mismaakte: zij moet niét zijn, niets zijn

Giovanna bij het graf van Maria. Zij voelt zich schuldig, nu Maria dood is, voor het feit dat zij Maria altijd heeft gekweld. Zij begint nu te beseffen, waarom zij dat gedaan heeft.

GIOVANNA: De stilte thuis jaagt me naar hier, maar je graf is nog dieper stilte. Zonder herinnering is reeds de grond, en zonder herinnering het gras, dat er reeds nu ontspruit. Zinloos en onvervuld rust je liefde in de kleine donkere kerker van de dood. Maria! Maria, dit heb ik niet gewild.
Waarom wilde ik je onrust worden. Al die jaren heb ik je gehaat, heb ik je blijdschap vergiftigd, je in je liefde gekrenkt. Door mij zijn je vrede en liefde en blijdschap geëindigd in pijn en zelfbeschuldiging. Toch, jij was de enige zuivere van hart. Jij had het recht te zijn die je was, en zoals je was. Waarom heb ik je altijd gekweld? Om je weg te drijven uit een leven van goedheid, dat niet voor mij bestemd was? In jou heb ik me gewroken op alles wat zo vernederend is geweest.

Giovanna komt nu bij haar grote pijn.

Leven voor anderen, leven voor anderen, ik heb het niet gekend, het is een mismaakte niet gegund. Haar geven is altijd beledigend, als wilde ze nóg de meerdere zijn.
Als zij meestrijdt, met de anderen, wekt ze ergernis, als wilde ze de gelijke zijn.
Ook op haar haat heeft ze geen recht: die wordt met deernis ’begrepen’.
Zelfs haar wroeging wordt niet verdragen. Ze mag zelfs niet de mindere zijn. Ze moet niét zijn. Niets zijn.

Maria betekent, zelfs nu ze dood is, nog iets.

- Jij voedt nog in je dood het leven, het kleine zinloze leven dat de aarde in haar schoot verbergt. Zovelen voeden niets. [bitterder:] Dat niets-zijn heb jij nooit gekend. Kon je daarom zijn zoals je geweest bent: een ’zuivere van hart’: een argeloze van geest: die niet het bedrog begreep van je ’niets-zijn’!? Waarom moest die dwaze waan je antwoord zijn. Om die waan vergreep je je aan Lorenzo’s leven, en heb je het vernietigd nu. Waarom was je niet sterker dan mijn haat. Waarom was je, die je geweest bent. Dwaas. Dwaas! Nog in je dood is het alsof ik je haat: haat als vroeger, onverminderd! Haat, waarom!? Omdat jij zo ver van jezelf leefde, en ik alleen mezelf heb. Ik heb je willen vernederen met een innerlijke mismaaktheid zoals mij mijn lichamelijke levenslang redeloos vernederd heeft. Alles had je, alles was je, dat een mens tot mens maakt. Waarom, waardoor. Door een zelfbedrog dat je niet herkende en dat, herkend, tegen niets bestand bleek! Ik heb je niets misgund. Alleen dat zelfbedrog.

Mij, mij was elke weg erheen versperd: ik ben die ik ben; en wat ben ik. . . !

Ik. . . . heb ik gedood? Heb ook ik gedood? Of wil ik wroeging zijn, me schuldig voelen - met nog anderen schuldig zijn, - omdat ik anders niets ben, niets dan een dor blad dat verloren en gescheurd naast het leven ligt.

Zij heeft haar twijfels over waarheid en leugen.

Waar ben je, ben je ergens; hoor je me; weet je nu wat in je leven, en in het mijne, waarheid is geweest, en wat leugen?
Maria, in welke van onze waarheden is waarheid?

Ook God zwijgt voor haar in alle toonaarden.

Het kruis antwoordt met de stilte van lege balken.
De armoede bezit zelfs geen Christus.
Koude balken. . . . Zijn zij het levensteken, dat daarom ook het teken wil zijn van de dood. Het weet niet van je dood; het weet niet van mijn leven. Zonder herinnering is het als de grond en het levende gras. En als God. Als God, die zwijgt over goeden en bozen, - die bozen en goeden aan zichzelf laat.

Lorenzo is ook naar het graf gekomen.

LORENZO: Niets dan wat opgeworpen aarde. . . . Hoor, om haar graven de onverschillige diertjes der aarde hun gangen; de gulzige worteltjes van het levende, dat naar het daglicht dringt, voeden zich aan haar lichaam, dat zelf aan geen leven meer deelheeft. Zij, die het leven zo hevig heeft liefgehad. Aan deze stilte heb ik haar liefde prijsgegeven. - Dit graf zij mijn laatste waarheid. Deze waarheid blijve me eeuwig verteren.

Derde bedrijf, dertiende toneel, I Bondgenoten

MASSIMO: Je (Zucarri) vindt ’t dus juist, dat Caracci buitenlandse hulp aanvaardde!

Maar wat verdedigen ónze ’bondgenoten’? De vrijheid en rechtsorde van ónze revolutie?

ZUCARRI: Hun functie is, onze revolutie te redden, niet: onze revolutie te zijn.

Caracci had gehoopt de revolutie zonder wapens te kunnen laten slagen.

Caracci voorzag, dat zijn vijanden met hulp van het buitenland een staatsgreep zouden doen om zijn revolutie definitief te vernietigen. Caracci moest hen vóor zijn. Er was geen andere keus dan zelf, snel, onverhoeds toe te stoten en de macht te veroveren. Dat was de enige mogelijkheid om en een burgeroorlog te voorkomen én, zelf, van het buitenland onafhankelijk te blijven.

Maar zonder wapens ging het niet en van het een kwam het ander.

MASSIMO: Maar de burgeroorlog is niet voorkomen, en van buitenlandse hulp kon ook door ons niet worden afgezien. En nu?

Massimo verwoordt dan de keerzijde van het wapengeweld.

Ook als we overwinnen, is de revolutie bezoedeld. Is het niet zo? Is het niet zo? Zou jij zélf, zelfs terwille van een waarachtige zegepraal der waarheid, van een vrouw de man, van het kind de vader, van het meisje de geliefde kunnen doden? Voel je niet, hoe abstract het geweld moet blijven, en hoe abstract je geweten, wanneer je tot geweld besluit. Voel je niet hoe laf die moed, hoe gewetenloos dat geweten is?

Zucarri rekende de ondernomen stappen kennelijk toch tot goede daden.

ZUCARRI: elke goede handeling impliceert een demonisch element. Elke goede handeling is ergens anti-humaan, anti-christelijk, is ergens satanisch. Gaf je je daarvan nooit rekenschap?

Massimo bezit toch het geloof dat een werkelijk goede samenleving zonder geweld tot stand gebracht moet kunnen worden.

MASSIMO: De waarheid is jeugd, en daarom anders. . . . Het behoort juist tot haar jeugd-zijn, dat zij elk geweld afwijst, dat ze gelooft in de scheppingskracht van zichzelf en van het leven. Welk ander geestelijk goed eiste ooit het zwaard voor zich op om tot geldigheid te geraken, of geraakte ooit tot geldigheid dóor het zwaard.

Zucarri beschouwt Massimo's opvatting als een religieuze waarheid.

ZUCARRI: Hier spreken twee verschillende waarheden, Massimo, twee verschillende plichten, twee verschillende roepingen: een religieuze, en een politieke.

MASSIMO: De waarheid kent slechts éen roeping: te overwinnen zonder geweld. Dan alleen heeft zij waarlijk van de mens bezit genomen; Zuccari, dan alleen zijn we sterk door haar en is zij sterk door ons. Dat, dát heeft ook Caracci geloofd. . . .

Derde bedrijf, dertiende toneel, II Caracci is verbitterd door Lorenzo's daad

BELOTTO: Lorenzo was Caracci’s schoonste geloof in het leven. Caracci was zeer eenzaam altijd.

Caracci's teleurstelling in Lorenzo maakt hem bitter hard.

De ontgoocheling en vernedering die Lorenzo voor hem werd, is de bitterheid waarmee Caracci zijn hardheid is. Vergis je niet, zijn rust en zelfbeheersing zijn anders geworden. Niet meer als vroeger. - Je weet, Lorenzo heeft zich ter beschikking gesteld: van de partij-justitie allereerst. Je was erbij, toen dit bericht Caracci bereikte.

Caracci voelt zich te diep verraden. Hij wil vergeten. Uitroeien. - Sedertdien leeft Caracci nog slechts éen wil: overwinnen. Maar anders dan vroeger. Verbitterd. Hij veracht.

Derde bedrijf, dertiende toneel, III Waarheid en leugen

MASSIMO: Neen, niet éen waarheid is het sterven waard, maar alle zijn ze het leven waard; en alléén het leven.

PONTORMO: Mijns erachtens zijn ze alle noch het een noch het ander waard.

MASSIMO: Jij minacht alle waarheid. . . .

Pontormo is zeer cynisch, maar brengt toch zinnige dingen naar voren.

PONTORMO: Of minacht ik misschien de mens!? Misschien dat ik daarom ook het geweld minacht. . . . Wat hebben we terwille van die mens te verdedigen, te redden!? Laat hem maar van zijn rechten beroofd worden! Wat heeft hij ermee gedaan!? Niets. Tenzij aantonen, dat hij ze niet waard is, dat hij er niets mee weet te beginnen. Wat moet hij met waarheden!? De mens gedijt in andere contreien! Heb je dat nooit bemerkt? Je moet nog veel leren, Massimo! Maar niet van je dichters! Die brengen je van de kook. Nu, adieu. Het beste. Misschien verstaan we elkaar later beter. . . .

Massimo valt het cynisme van Pontormo niet aan, maar stelt er een andere - betere?, de enige? - oplossing tegenover.

MASSIMO: Ik wil dit zeggen: we moeten de strijd geheel wegrukken uit die verleugende anti-these van ’waarheid’ en ’leugen’. Onze waarheid is niet de waarheid en hun leugen is niet de leugen. Leugen en waarheid zijn beide gehavende waarheden. Begrijp je, daarom is niet éen ’waarheid’ het sterven, maar zijn ze alle het leven waard, en onze liefde. Ook de ’onwaarheid’ moeten we liefhebben. Zij heeft een diepe zin. En ook háar oorsprong is liefde. Tot de mens, tot het leven, tot de waarheid.

Geloven in de waarheid en in het leven betekent ook: hun beider nederlaag kunnen aanvaarden.

Derde bedrijf, dertiende toneel, IV De geboorte van een nieuwe wereld

Onderwerping aan een geschonden orde-beginsel.

MASSIMO: Ja, geloof je niet, dat ook de vrijheid van de geest haar martelaars eist? Niet in de gewone zin, dat haar verdedigers voor haar sterven, maar in deze, dat zij van de vrijheid welbewust afstand doen en de knechtschap, ook aan het meest geschonden orde-beginsel, aanvaarden.

Geen gezag, dan rest slechts de greep naar de macht.

ZUCARRI: Nogmaals: als de waarheid, het beginsel van orde, geen gezag is en gewelddadig wordt weggevaagd, dan rest haar geen andere plicht dan macht te worden. Het zwaard is het laatste recht der waarheid, en haar laatste plicht.

Met alle gevolgen van de macht.

MASSIMO: Beide, macht en geweld, demoraliseren slechts bij uitzondering de sterken niét.

Maar....

- Maar hoevele zwakken, Zuccari, hoevele zwakken dragen het lijden; ook het zwaarste, schoon - en worden daardoor sterken.

De enige mogelijkheid voor een nieuwe wereld?

Misschien dé mogelijkheid, waarmede ’de sterken’ allereerst rekening moesten houden. Geloof je niet, dat hún zedelijke grootheid in het lijden, dat hún voorgaan dáarin, dieper, waardevoller krachten in de menigte der zwakken zou losstoten dan hun grootheid in macht en geweld?

Gezag-worden van een orde-beginsel of ....

Zuccari, een nieuwe wereld wordt niet geboren uit de wanen van het macht-worden, maar uit het gezag-worden van een orde-beginsel. Is dat laatste onmogelijk geworden, doordat men te laat het goede is gaan willen, doordat men te langdurig het goede ontrouw is geweest, dan wordt de nieuwe wereld geboren uit het leed en de loutering der vergelding. Is er niet sprake van een verráden waarheid: die haar straf opriep? Een straf aanvaardt men. Wij, het Westen, wij zijn, vrees ik, inderdaad te langdurig schuldig gebleven. Al te lang, vrees ik, hebben we onze waarheden misbruikt en verraden, en aldus de liefde ervoor gedood. Wordt een dergelijke wereld - weerloos en in zichzelf verdeeld - overweldigd, dan rest haar slechts de vergelding te aanvaarden, te dragen, en in het leed van de loutering een nieuwe menselijke goedheid voor te bereiden en te verwezenlijken.

Europa het geweten der wereld door verdediging van de vrijheid van geest.

CARACCI: Luister: Europa is niet vóór alles tekort geschoten. Europa kan zichzelf, kan de waarheden waaruit het leeft niet durend herzien, het kan niet eeuwig wórdend zijn, scheppend zichzelf vernieuwen, zonder het verworvene, zonder zijn orde, zonder zichzelf telkens weer te ontwrichten, te ontredderen, en de menigte te verwilderen. Durend wórden is ook durend ondergang. Durend scheppen is ook durend relativeren en daarom ook durend: de velen verwilderen. Dat is de onvermijdelijke prijs van alle scheppend wórden. Zichzelf herzien is Europa’s zin, zijn diepste innerlijke gedrevenheid ook. Daardoor werd Europa het geweten der wereld. Dit geweten verdedigt zich, als wij tot het einde de vrijheid van de geest verdedigen. Deze verdediging is ons souverein en onaantastbaar recht. En tegelijk onze plicht tegenover de wereld.

Méér dan de vrijheid van de geest ... de eerbied voor de mens.

BELOTTO: . . . . Is dit ’geweten-zijn’ niet óok het rechtvaardigen van een hartstocht, die niet had mogen meespreken. . . . [rechtstreekser, zijn aarzeling overwinnend, omdat hij in de grond tegen Caracci’s verbittering vecht en niet zozeer Massimo als wel Lorenzo dáartegen wil verdedigen] Herinner je wat je vroeger eens gezegd hebt: er is slechts éen houding, die het revolutionnair gevecht rechtvaardigt en redt. . . . Caracci, heb je niet gezegd: er is slechts éen wil, die mensen als ons het recht geeft te staan waar we staan: de wil sterker te zijn dan onze persoonlijke beproeving. . . . Je noemde de vrijheid van de geest, maar was onze waarde niet méer nog: de eerbied voor de mens. . . .?

Caracci verstoot Lorenzo uit de partij.

CARACCI: [tot Lorenzo] Ik wenste je het navolgende persoonlijk te zeggen. - Ik kan kort zijn. - Toen allen onvoorwaardelijk, met de inzet van hun leven, voor onze revolutie vochten, ben jij niet alleen ontrouw geworden, maar heb je, éen dergenen die de revolutie vertegenwoordigen, met dit misdrijf onze revolutie allerdiepst besmeurd. Hierom word je voor altijd uit onze gelederen gebannen. Je naam zal onder ons niet meer voortleven. - Dit wenste ik, als leider der Partij, je persoonlijk te zeggen alvorens de burgerlijke Justitie haar oordeel uitspreekt. - Haar uitspraak vonnist niet het wezen.

De waarheid en het verlangen van Maria.

LORENZO: Neen, niet het wezen. . . . Ik doodde. . . . en ik doodde Maria Goretti. . . . En met haar het schoonste verlangen der aarde. Groter schuld is niet denkbaar. . . . Ja, ik heb geen recht meer op een woonplaats onder de levenden. . . . Het is goed. Leven, en niet bestaan, voor niemand; met mijn aangezicht naar de aarde die ik met mijn misdrijf onteerd heb. . . . Alleen zijn met de kwelling der bloemen die de lente zijn der aarde zoals zij, Maria, in wie de zin der aarde vervuld en de winter der wereld voorbij was, - en die ik doodde. Eens zal de wereld haar verstaan. . . . Eens zal de wereld háar waarheid en haar verlangen herkennen. . . .

Het begin van een nieuwe aarde.

Dan zullen de klokken overal het uur van haar verheerlijking verkondigen en het begin van een nieuwe aarde. Want in haar heeft de mens den mens waarlijk bemind zo als Christus de mens heeft liefgehad, en in die liefde zullen allen éen en alle dingen nieuw worden. . . . De mens behoren, en hem behoren als de armste der armen, - het is de laatste waarheid voor hen die het leven eerbiedigen en de mens liefhebben met geheel hun hart. . . . Kon ik de klokken van haar verheerlijking nog horen. . . . Kon ik die klokken nog horen. . . . Eerst dan ook zullen allen verstaan, hetgeen ik aan hen misdreven heb, toen ik Maria Goretti doodde.

Nawoord
Voor mij is dit toneelstuk zo belangrijk omdat ik er zoveel van Henri Bruning zelf in terug vind. Daarom is de bovenstaande samenvatting misschien ook meer mijn persoonlijke samenvatting. Ik denk wel dat ik de draad van het verhaal ondanks dat redelijk heb weergegeven.

Men kan zich afvragen of dit stuk nog iets van doen heeft met zijn oorlogsverleden. Ik kan mij niet aan die indruk onttrekken.
Idealen die hij zelf bezat toen hij zich inzette voor de politieke idealen van Verdinaso (het geweldloos gezag worden van het solidarisme), heeft hij, volgens mij, in dit stuk verwerkt.
In 1955 had hij zijn verantwoording Een ander spoor? geschreven. Ik denk dat hij in dit spel, twee jaar later geschreven, een aantal zaken aan de orde laat komen, die toen niet of in ieder geval anders, meer rationeel, ter sprake gekomen waren en die hij nu uitvoeriger en met meer passie ter sprake kon brengen.
In het slot van Maria Goretti, waar het begin van een nieuwe aarde ter sprake komt, zie ik een overeenkomst met het slot van zijn zo zwaar (voor het laatst nog in 2002) bekritiseerde rede Nieuw Levensbewustzijn. Hij sprak daarin over:

Stellig zal de verwerkelijking van zulk een kunst (een kunst, die — verre van bevangen te zijn in een kleine ,,nuttigheid’’ — het edelste in den mensch en het edelste in een gemeenschap verheldert, zuivert, bevrijdt, een kunst die, door dit alles, een levensverbonden, scheppende grootheid is) alleen de arbeid zijn van den waarachtigen kunstenaar, maar toch eerst dan, wanneer hij waarachtig leeft op het niveau van dezen tijd, een niveau dat hoog uitreikt boven de vraagstukken en woelingen van socialen, staatkundigen of nationalen aard, doch zich verheft in die heldere berglucht waar ook de laatste levensvragen opnieuw gesteld en opnieuw verhelderd worden. Dáár eerst leeft de nieuwe mensch volledig.


Ik hoop dat zowel zijn levensbewustzijn als zijn religieus bewustzijn duidelijk naar voren komen, al is een onderscheid tussen deze twee niet altijd duidelijk te maken. Het een gaat vaak over in het ander en anders om. Het "goede leven" willen zijn, de essentie van zijn levensbewustzijn, vormde eveneens het levensmotto van Franciscus in zijn Elias van Cortona.
De essentie van zijn religieus bewustzijn komt wellicht het beste tot uitdrukking in uitspraken als:

En dat er overal in het heelal sterren zijn, die nog door niemand zijn gezien, en ook door niemand gezien zullen worden, dat vervult me misschien nog meer van God dan de sterren die ik elke nacht aanschouw.


Hiermee illustreert Bruning zijn Godsbesef en in het volgende de enige manier waarop wij God kunnen eren:

De aarde is de enige die we kunnen liefhebben.. Haar schoon beminnen, overeenkomstig de orde die God de dingen heeft ingeschapen, is de enige liefde die we Hem kunnen geven...


Zijn levensbesef komt voort uit zijn religieus besef getuige een uitspraak van Maria:

Moet een bloem verdiensten verzamelen om in ons mensen het goede te wekken. Zij is zoals zij zijn moet, en door haar schoonheid openbaart zich God. Hoeveel meer doet Hij dit in de goede mens. ’Hoe schoon toch is de mens als hij waarlijk mens is!’ - Neen, Laura, ongedeeld is ons heil nooit. - Maar zal ik het goede leven goed zijn. . . .


Bruning gelooft in God, maar hij gelooft niet in een rechtstreekse bemoeienis van God met ons mensen:

... God, die zwijgt over goeden en bozen - die bozen en goeden aan zichzelf laat.


of, zoals hij het eerder Giovanna ook liet zeggen:

En aanvaarden als geen gebed ooit verhoord werd.


De consequentie van het feit dat God niet ingrijpt in het gebeuren op aarde in zijn algemeenheid en in ons menselijk leven in het bijzonder heeft Bruning uitgewerkt in zijn verhaal Stille Executie. Het eeuwig zwijgen van God brengt voor Bruning het verlies van het Vader zijn van God met zich mee.

Zijn Godsvisie heeft ook gevolgen voor zijn kijk op de godsdienst-beoefening en verkondiging. In 1933 heeft Bruning Onze Priesters gepubliceerd in zijn serie Revisie & Richting, waarin hij veel kritiek op de gangbare uitoefening van het priesterschap had uitgesproken. Ik zie in die kritiek uit '33 veel gelijkenis met alles wat Lorenzo aan kritiek en haat uitspreekt aan het adres van Maria's toekomstige levensgezellinnen.
De woorden:

..dat zij ook jouw ziel naderen, aanraken, met hun onreine handen en adem besmetten...


verklaren wellicht waarom hij aan twee van zijn zoons geweigerd heeft om zelfs maar een eerste stap te zetten richting een mogelijk priesterschap. En mogelijk stuurde hij mij om diezelfde reden naar het Stedelijk Gymnasium en niet naar het Canisisus College.

Ik meen een enkele passage gevonden te hebben, die men autobiografisch zou kunnen noemen. Zo zie ik veel overeenkomst tussen hetgeen hij beschrijft in "Op een dag in 1945":

En met diezelfde zorgeloze lichtzinnigheid, zei ik vaarwel aan de kleine tedere stelligheden van het vertrouwde en nabije toen het begrensde niet enkel meer in zijn begrensdheid, maar in het onbegrensde en zijn stilte verloren, een bedrog was geworden. Te zorgelozer zei ik dit alles vaarwel omdat ik, hield ik mij overmoedig voor, toch wel altijd weer tot die kleine vertrouwdheden en haar schone aanschouwelijk­heid zou kunnen terugkeren. - terugvluchten. Doch toen ik dit beproefde, bevond ik mij in den rug verraden: de kleine schoonheden van weleer besprongen mij wáár ik mij wendde, als even zovele angsten, als leegten zonder naam of samenhang.


en het relaas van Laura uit het vijfde toneel waar zij zegt:

Het wordt alles zo anders dan je geloofde, zo walgelijk soms. Eigenlijk moest je op je schreden terugkeren en zeggen: ’zie je wel, dat het dit niet is’. Maar de weg terug is versperd. Niet omdat het slechte de overhand in je heeft, maar omdat die leugen, van vroeger, leugen is gebleven. Neen, ook daarna niet, toen nog minder, kon ik God op die wijze toebehoren.


In het bijzonder vraag ik mij af of haar uitspraak:

Het is alles plotseling van me afgevallen. Jaren geleden. Zonder pijn. Alsof ik alleen een leugen armer was geworden.


hetzelfde verwoordt toen Bruning in zijn verantwoording aan zijn kinderen schreef:

In wézen was het "conventionele" christendom voor mij al een voorbije zaak toen ik, bemerkend dat het geen antwoord gaf op de vragen die het leven mij voorlegde, me in '22 in het evangelie begon te verdiepen = het woord van zijn Urheber.



Het is mijn stellige overtuiging, dat veel van Brunings inzichten ook vandaag de dag nog betekenis hebben en niet alleen voor mij.

Eindhoven, 10 november 2015
Theo Bruning

























terug

aangemaakt: 14-10-2015 Copyright © 2015 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-11-2015