terug
volgende bladzijde


ontreddering, niet minder verbijsterend wellicht, uit de bloedige en verwoestende worstelingen waarmede thans een cultuur, die zichzelf overleefd heeft, in puin stort, treedt daarentegen een mensch te voorschijn die sterk, rustig, moedig (en blijmoedig) in den mensch gelooft, die zich opnieuw tot de scheppende grootheid, den adel van den natuurlijken mensch bekend heeft en met dit geloof den ochtendstond van een nieuwe wereld binnentreedt. — Zal voor hém — dezen mensch van den ochtendstond — het christendom nog een ,,blijde boodschap” kunnen zijn? Het antwoord op deze vraag — dat voor mij stellig bevestigend luidt — kan hier gevoeglijk blijven rusten; wij poogden toch slechts dien nieuwen mensch, die thans zijn intree deed in de historie als de drager van de scheppende krachten der toekomst, als de drager en aankondiger van een nieuwe levensorde, een nieuw, helder en zuiverend heil, voor U op te roepen. (blz. 27-28 )


14. Definitief antwoord op de oorspronkelijke vraagstelling

of van den huidigen mensch die diepe, boeiende impulsen te verwachten zijn welke het aanzijn kunnen geven aan een kunst, die — verre van bevangen te zijn in een kleine ,,nuttigheid’’ — het edelste in den mensch en het edelste in een gemeenschap verheldert, zuivert, bevrijdt, een kunst die, door dit alles, een levensverbonden, scheppende grootheid is, dan meen ik dat de verwerkelijking van zulk een kunst alleen de arbeid zijn van den waarachtigen kunstenaar, maar toch eerst dan, wanneer hij waarachtig leeft op het niveau van dezen tijd, een niveau dat hoog uitreikt boven de vraagstukken en woelingen van socialen, staatkundigen of nationalen aard, doch zich verheft in die heldere berglucht waar ook de laatste levensvragen opnieuw gesteld en opnieuw verhelderd worden. Dáár eerst leeft de nieuwe mensch volledig. En in de stilte van dít hooggebergte wordt ook de nieuwe groote kunst, want hier staan wij in een centrum van leven, en hier zien wij uit over de wereld der menschen en hun woelingen. (blz. 28-29 )


Het antwoord op zijn centrale vraagstelling is dus kort en bondig: “den waarachtigen kunstenaar” en deze kunstenaar wordt door Bruning niet aan enige politieke stroming of enige geloofsovertuiging gekoppeld, nog sterker, met zijn formulering distantiëert Bruning zich duidelijk van het nationaal-socialistische niveau.

15. Conclusie
Bruning heeft zich kennelijk neergelegd bij een inlijving van Nederland binnen het Groot Germaanse Rijk, door hem met Germanje aangeduid, maar beplijt met deze rede dat de vormgeving daarvan ook een Nederlandse zaak is waarbij, voor hem, de Europese cultuur op de voorgrond staat. Daarbij beroept hij zich vooral op natuurlijk menselijke aspecten en























terug
volgende bladzijde



aangemaakt: 01-07-2011 Copyright © 2011 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-07-2011