terug


EEN CHRISTENDOM, IN VERSCHIJNINGSVORM TOTAAL VERSCHILLEND?

In het Paashoorspel De Emmausgangers () heeft Bruning dit bekende verhaal naar de moderne tijd verplaatst en zijn de twee leerlingen van Jezus uit het oorspronkelijke verhaal, twee monniken geworden.

In het voorspel wordt de moderne jachtige tijd (“de realiteit der aarde”) weergegeven met verschillende verkeersgeluiden die in elkaar overgaan, dan weer aanzwellen om vervolgens weer af te zwakken en daar tussendoor horen we dan flarden van een preek (“met stille, heldere stem en vrome aandrang, innig en ernstig”), de éne wereld, naast de andere wereld die tot uiting komt in flarden van gesprekken tussen een echtpaar, tussen een stel geliefden en tussen twee gymnasiasten. Die eerste wereld wordt ook weergegeven met het visioen van ijveraarster, waarin eens de machten der wereld overwonnen zullen zijn:

O, stel je dat toch eens voor! Hij, Christus, is dood. De machten van de wereld bewaken gewapend zijn graf. Maar Hij... De steen wordt weggewenteld en Hij treedt naar buiten; de machten der wereld liggen verslagen ter aarde. -- Zo zal eens gans de wereld en haar hoogmoed verslagen aan zijn voeten liggen.

In het eigenlijke spel lopen twee monniken door de straten van een verlaten stad op Paasmorgen en spreken met elkaar over hun teleurstellingen:

de grote beproeving van de ziel is God als de altijd ongewordene: God die nooit Gód wordt in de méns...

... die « God » wordt in de mens in de gedaante van een goedheid die reeds een hoon is aan het menselijke...

... misschien is de mens zo misvormd zichzelf, omdat de goedheid welke men hem voorhoudt, vaak zulk een onschone vorm van menselijk goed-zijn is: een goedheid die op geen levensvraag in hem waarachtig antwoord is, en die de ziel alleen laat.

Ach, hoe anders geloofden we, toen we jong waren... (stilte), toen we Hem herkenden, bij het meer, waar we gingen, vermoeid « en treurig dolend aan de oever van het ontmande land ». « Kom », zei Hij enkel, « volg Mij », alsof hij de honger en de droefheid van ons hart begreep. Hoe heeft Zijn woord onze jeugd toen verblijd!!

Hoe hebben wij toen gebeden, met al onze daden en met heel ons hoopvol hart gebeden: Vader, geheiligd worde Uw naam, laat Uw Rijk komen, laat men Uw wil herkennen, laat Uw wil geschieden op aarde zo als in de hemel, - zó schoon was aan ons in Hem de goedheid verschenen waarvoor de mens op aarde bestemd is... In Hem zou de wereld worden overwonnen. (...) Maar negentien eeuwen verstreken...

Het leven der wereld is een grafsteen gebleven... En eronder ligt het dode lichaam van de Zaligmaker.

Zijn woord bleef onderworpen aan de meest vernederende wet. (...)
Aan deze, dat de waarheid nooit het leven der mensen wordt... Ook het Rijk Gods niet... Tenzij in enkelen... En deze weinigen vernieuwen het aanschijn der aarde niet...

Wil de mensheid eenmaal God waarlijk toebehoren, en alles dat niet Gód is kunnen loslaten, dan moet zij alles wat God niet is ook hebben ervaren, en het ontoereikende ervan hebben herkend.. Zo denk ik ... God wil door de mensen op alles van deze wereld worden veroverd, omdat God slechts met vrije instemming aanvaard wil zijn...

En inmiddels...? Ach, laat ons samenzijn met hen die Augustinus noemde « de metgezellen mijner vreugde en de lotgenoten mijner sterfelijkheid, mijn medeburgers, en die met mij pelgrims zijn, die mij voorgaan en volgen en vergezellen op mijn levensweg. Zij zijn Uw dienaren, God, mijn broeders, Uw zonen, van wie Gij gewild hebt, dat ze mijn meesters zouden zijn, die ik naar Uw bevel moet dienen, als ik met U uit U wil leven. »

En dan verschijnt De Meester in hun midden en vraagt waarom zij zo bedroefd zijn. Nadat zij dat hebben uitgelegd zegt De Meester:

O gij wankelmoedigen en onverstandigen van hart... Eén gebed leerde Hij u, en ge hebt het niet begrepen?

De Meester verklaart dan wat men in dit éne gebed bidt en hoe men dat moet verstaan en tot slot zegt De Meester:

Maar is déze liefde (de onvoorwaardelijke liefde voor de medemens Th.Br.) niet tevens het Rijk Gods? Wat zoekt ge dan ontroostbaar het Rijk Gods? Heeft Hij dan niet gezegd : het is niet hier, het is niet daar, het Rijk Gods is in u? Wat zijt ge dan teleurgesteld om Hem, die niet anders doen kon dan U in deze liefde voorgaan, en voorgaan toen tot het bittere einde. Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo Zijn heerlijkheid - Zijn liefde - openbaren?

Maar als de mens deze liefde is, is de Dode dan niet verrezen, in hem? En is dan niet Gods wil vervuld en vervuld waarvoor wij bidden : Laat komen Uw Rijk (...).

Bruning heeft zijn hele leven aan het Christendom gewijd. Ik behoef slechts te verwijzen naar (het motto van ) zijn (onder pseudoniem geschreven) Kolonisatie en Missie uit 1931; de titel van Onze Priesters () uit 1933 spreekt voor zich evenals Verworpen Christendom uit 1938; Zie wat Elias zegt () in zijn, rond het begin van de oorlog geschreven, Elias van Cortona uit 1943. In 1941 schrijft Bruning in een brief () :

... maar de vraag is of de Kerk, d.w.z. zij die haar leiden, in de practijk, en dan globaal genomen, niet een moraal en een levens­houding opleggen die een vergrijp zijn aan het natuurlijk en boven­natuurlijk leven - een zeer wezenlijk vergrijp ondanks alle subjectieve goedheid en subjectief-goede bedoelingen van degenen die dat vergrijp plegen. - Ik nu werd steeds meer geneigd deze vraag met "ja" te beantwoorden, en steeds meer geloof ik daarom, dat we (d.w.z. de wereld) nog wel eens een christendom kunnen beleven welker verschijningsvorm (bij alle essentieele eenderheid) totaal verschillend is van het huidige, waarin het huidige zich totaal niet meer herkennen zou (...). Want dat de Kerk menschelijk is, wil ook zeggen, dat zij in massa's dingen van haar leer maar-menschelijk is (hoe subliem ook, tóch menschelijk), dat zij altijd maar een menschelijk en hulpeloos verstaan van het goddelijke vertegenwoordigt, en dat het zeer wel mogelijk is dat men uit die onpeilbare rijkdommen van het goddelijke nog eens een heel ander, totaal verschillend verstaan opdient (of daaruit te voorschijn doet springen).

Voor mij heeft hij in dit spel aangegeven in welke richting hij dit totaal andere christendom zoekt en hoe eenvoudig dat er mogelijk kan uitzien. De Meester wijdt geen woord aan het “en leidt ons niet in bekoring maar verlos ons van het kwade”, dat wij toch ook altijd bidden in dat enige gebed, dat Jezus ons geleerd heeft. Het verlossen van het kwade komt, zou ik willen zeggen, geheel tegengesteld aan wat wij onder “verlossen” verstaan aan de orde in de woorden “Wat zijt ge dan teleurgesteld om Hem, die niet anders doen kon dan U in deze liefde voorgaan, en voorgaan toen tot het bittere einde (vet ThBr). Moet ik Bruning zó verstaan: Jezus leert mij te leven in liefde tot mijn medemens ondanks al het bitter - “de realiteit der aarde” - , zodat dan in mijn liefde, in mij: “De steen wordt weggewenteld en Hij treedt naar buiten; de machten der wereld liggen verslagen ter aarde..”?

Eindhoven, 21-12-2010
Theo Bruning

























terug



aangemaakt: 16-12-2010 Copyright © 2010 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 30-06-2013