terug
HENRI
BRUNING
DE
ANDERE

n.a.v. Elias van Cortona



Inhoud
0. Inleiding
1. De betekenis van Elias van Cortona voor mij
2. Autobiografisch?
3. Het verworpen christendom
4. Het goede leven zijn; zijn religieuse levensbewustzijn
5. Parallellen
6. Toevallige overeenkomsten met latere gebeurtenissen
7. Een antwoord op een nog ongestelde vraag

Inleiding
Het toneelspel Elias van Cortona van Bruning vangt aan bij de eerste hervormingen van de Orde, die Franciscus in het leven heeft geroepen. Deze hervormingen vormen het conflict tussen het “eenvoudige” ideaal van Franciscus en het “grootse” ideaal, dat zijn opvolger Elias met de Orde voor ogen had. Dit alles speelt zich dan af tegen de achtergrond van de bouw van klooster en kathedraal van Assisi. Deze laatste is het symbool van “de glorie” van de Orde en het daardoor in de vergetelheid raken van Rivo Torto, dat kleine, kortstondige paradijs van “eenvoudige goedheid en dienstbare vergetelheid”, waar Franciscus met een paar broeders ooit zijn gemeenschap begonnen was.

Bruning heeft dit toneelstuk geschreven rond de inval van de Duitsers. Een gebeurtenis die hem persoonlijk zeer heeft aangegrepen, getuige zijn brief aan zijn uitgever uit die tijd. Bij het lezen van dit stuk is daar in eerste instantie niets van te merken. Toch zijn het naar mijn mening juist de toenmalige gebeurtenissen, die er toe hebben bijgedragen dat Bruning tóen dit spel heeft geschreven:

Naarmate ik mij echter - in verband met mijn Franciscus-biographie - meer in het leven van Elias verdiepte, geraakte de (voor béide partijen) dramatische controverse welke hem van Franciscus had ver­vreemd, meer op de achtergrond en werd hij voor mij de belichaming van de velerlei essentieele (en nog altijd actueele) problematiek van die dagen. Op dat moment ontstond ­dit drama: plotseling en in zijn geheel. Op dat moment ontstond ­dit drama: plotseling en in zijn geheel. Niet zijn con­flict met Franciscus, maar Elias als de personificatie van gansch het drama der 12de eeuw deed dit tooneelspel geboren worden. ()

Een eerste publicatie heeft plaatsgevonden in 1941 in het tijdschrift Criterium. Later heeft Bruning dit spel ook in boekvorm laten drukken in België, vanwege de toenmalige papierschaarste in Nederland. Maar ook dit werk is door toedoen van de bezetter tijdens de oorlog Nederland niet binnengekomen en heeft later nauwelijks meer enige aandacht kunnen verkrijgen, laat staan een aandacht vergelijkbaar met die voor zijn Verworpen Christendom.

Ik beschouw dit werk als een verbindende schakel tussen (de inleiding van) zijn Verworpen Christendom van 1938 en (de inleiding van) zijn Missionair Christendom van 1961.

Voor een iets minder summiere samenvatting van dit spel verwijs ik naar “Elias van Cortona, mijn samenvatting”

De betekenis van Elias van Cortona voor mij
In dit toneelspel treedt Brunings persoonlijkheid sterk naar voren zowel in zijn religieuze overtuigingen als in zijn politieke overtuigingen die te samen onlosmakelijk verbonden zijn met zijn levensbewustzijn. Zo zie ik op meerdere plaatsen aanknopingspunten met zijn vroegere essays.

Ook meen ik op tal van plaatsen Henri Bruning in hoogst eigen persoon tegen te komen, met andere woorden, het stuk lijkt mij hier en daar behoorlijk autobiografisch. Tevens zie ik, maar dat is geheel voor míjn rekening, bepaalde overeenkomsten met gebeurtenissen die na het schrijven hebben plaatsgevonden. Dat is uiteraard niet de schuld van de schrijver maar ik vind die overeenkomsten op zijn minst té curieus om ze niet te vermelden.

Autobiografisch?
Een eerste voorbeeld van een voor mij typische Bruning uitspraak:

,,Leid ons niet in bekoring’’, wil ook zeggen: misleid ons niet over onszelf. ()

Voor Bruning kwam de bekoring dus niet alleen van buiten, maar lag vaak al in hem zelf besloten. Het weerstand bieden aan deze laatste bekoring vergde zelfonderzoek. Dit was dan weer geheel in lijn met het motto dat ik voor de website heb ontleend aan Nieuw Politiek Bewustzijn:

Zooals een bloem, die slechts wor­den moest wat zij als zaad reeds was, zoo heb­ben ook wij geen an­de­re op­dracht in dit le­ven dan ons zelf te wor­den. ()


En een tweede voorbeeld:

Ach, broeder Elias, verdragen wij elkanders dwaasheid. Indien zij gediend willen worden en ons bedriegen, dat wij hen dienen en ons bedriegen laten. ()

Bruning zag de dwaasheid van anderen, maar besefte tegelijkertijd dat zijn eigen doen en laten dwaasheid was in de ogen van die anderen (Dit inzicht vormt een belangrijk onderdeel van zijn levensbewustzijn).

Wat Bruning hieronder over broeder Andreas liet zeggen, zou ook over hem, in een eerdere fase van zijn leven, gezegd kunnen zijn.

En gij verwiérf u veel wijsheid naar het scheen. Gij zijt in zeker opzicht een dichterlijke geest, en uw verbeelding veroverde snel en intuitief een gedachtewereld, die anderen slechts moeizaam tot de hunne maken. Gij hield dit voor Gods werkzaamheid in u. Gij voelde u bereid en in staat tot vele goede daden. Gij hield uzelf voor uitverkorener dan vele uwer medebroeders, want waart ge niet vervuld van bovennatuurlijk leven? ()

Maar kennelijk had hij zo zijn twijfels over Gods werkzaamheid (ook een essentieel onderdeel van zijn levensbewustzijn):

— Doch gij leefde slechts op uw eigen natuurlijke krachten.

Dat was de zelfmisleiding, ,,de verborgen hoogmoed’’ ook, die aan uw nederig geluk ten grondslag lag. Was het dan zoo verwonderlijk, broeder Andreas, dat een groote teleurstelling uw deel ging worden? Er moest een oogenblik komen, dat uw geïnspireerd en gretig dwalen van waarheid naar waarheid een gevangen-zijn en gevangen-blijven zou blijken binnen de beperkte ruimte van uw natuurlijk denken, een rusteloos en verontrust rondfladderen in de kooi van uw menschelijke begrensdheden. De mensch echter, die op deze wijze in zichzelf wordt teleurgesteld, zoekt maar al te vaak heul bij zijn medemenschen. Zoo ook gij, die tot dan toe — vervuld van God! — met een ,,nederigen glimlach’’ aan de menschen waart voorbijgegaan... ()

Toch zag hij wel een weg naar goddelijke werkzaamheid; een weg die tevens leidt naar het verbreken van onze natuurlijke begrensdheid.

De nederigheid bestaat hierin, dat men aanvaardt wat men is. Om iets te worden, moet ge niets willen zijn. Alleen dit volledig van zichzelf ontledigd zijn schept de mogelijkheid van die goddelijke werkzaamheid, welke de verbreking is van onze natuurlijke begrensdheid. ()

Bruning was heilig overtuigd van het bestaan van zo’n werkzaamheid, die hij met goddelijk karakteriseerde. Mogelijk had hij het plotselinge, in zijn geheel, ontstaan van dit toneelstuk als zodanig ervaren, als een “godsgeschenk”. “Niets willen zijn” vergt alleen maar een natuurlijke kracht. Dat roept bij mij de vraag op wat dit betekent voor een atheïst die de staat van “niets willen zijn” weet te realiseren. Hem moet dan diezelfde werkzaamheid ten deel vallen. Maar de atheïst zal deze werkzaamheid nooit goddelijk noemen. Dit moet, mijns inziens, eveneens tot zijn levensbewustzijn behoord hebben!

Ook het geweten is heilig, en eischt gehoorzaamheid. ()

Deze uitspraak deed broeder Andreas, toen hij weigerde het bevel van broeder Elias op te volgen om geld te gaan inzamelen voor de bouw van de kathedraal. Met deze weigering ging Andreas in tegen zijn heilige gelofte van gehoorzaamheid en tegelijkertijd was hij daarmee niet loyaal aan zijn medebroeders van de Orde.

In het naspel kwam het geweten opnieuw ter sprake in de discussie tussen de Cisterciënzer en Elias over het bestaan van een “objectief” recht. Elias zei daarover:

Ik geloof, dat allen meenen het oprecht te zoeken. Wij allen trekken de consequenties van onze ,,waarheid’’; en wij doen dit gewetensvol. ()

In Brunings leven had zijn geweten altijd een essentiële rol gespeeld. Daarom heeft Raymund Bruning dat ook uitdrukkelijk in de titel van zijn manuscript opgenomen: Henri Bruning, over grootheid en tragiek en geweten.

In het volgende doelde Bruning o.a. op de kerkelijke autoriteiten.

De menschen merken lieden als ik pas op als we zeggen: we hebben aan alles van jullie maling. Zie je, het is hun heilig recht lak te hebben aan ons, maar goeiegod, we moeten niet ’t lef hebben lak te hebben aan hen. ()

Zo dacht Bruning dat men hem zag, en trok zich wellicht daarom vaak terug.

Mijn schuld is het ook niet als ik meer dan tevreden ben met de lucht tusschen de bergen en van alle andere luchies onpasselijk word. ()

Uit meerdere verhalen en toneelstukken, blijkt duidelijk dat Bruning niet veel op had met de meeste heren geestelijken. In het volgende fragment werd dat nog eens duidelijk. Hij stelde het wel op prijs als ze hem zouden onderhouden, maar dan moesten ze vooral niet verwachten dat hij ze vervolgens zondermeer zou volgen.

Waarde heer, ik ben er nog altijd doorgerold, en ik zal er ook dit keer wel doorrollen. En onthou, dat je me met je vroomheid stierlijk verveelt. Ik denk trouwens, dat je er God ook aardig mee verveelt. ()
En als u eens wat meer aan mijn maag dacht en wat minder aan God. Kom, vooruit. Ik werk niet, ik ben niet blij als ik wat krijg, ik neem het u niet kwalijk als ik niets krijg, ik bekeer me niet, ik loop niet naar het klooster, ik lig hier en ik blijf hier liggen en ik zal waarschijnlijk wel m’n heele leven blijven liggen. Wil je je desondanks over mijn leege maag ontfermen? ()

Bruning had over veel zaken zo zijn eigen mening...

Ik hou me nu maar bij de lucht, de bergen, de vogels... Die zijn ook goed zonder er ophef van te maken. De rest zal wel allemaal op ’n zeer verheven wijze kloppen, maar ik zie dat niet, en ik verdiep me er ook maar niet meer in. ’n Mensch alleen gaat er maar van malen, en daar bedank ik voor. ’k Heb nou zoo m’n éigen gedachten, vat je? - Tja, en wat zal ik je verder nog vertellen...? ’t Is allemaal verdomd eenvoudig. Zie je, sedert ik hém heb gezien, kan ik niet nalaten de heeren en mevrouwen, in lompen of niet in lompen, in pijen of niet in pijen, ’n beetje te ,,pesten’’... ()

Hoge verwachtingen koesterde Bruning ook niet ten aanzien van zijn eigen schrijverijen, want wat hij in het navolgende over de leringen van Franciscus liet zeggen, zou ook over zijn eigen schrijverijen gezegd kunnen zijn.

Herinnert ge u, dat Franciscus voor zijn sterven zeide: ik heb mijn plicht gedaan, moge Christus u leeren welke de uwe is?
Wij allen bezitten onze droomen; maar met dit woord deed Franciscus nogmaals van elken droom afstand — ook van dien laatsten: dat hij zijn broeders leeren zou.. ()

Hij had zo zijn eigen, wat oosterse (Taoïstische), kijk op het wereldgebeuren, waardoor sommigen hem als wereldvreemd beschouwen:

Paulus, Petrus, Franciscus, de paus, de bisschop, de keizer, — het is allemaal niets. Niéts. Nul en niets. Veracht ze. Het zijn allen vorschen, springend en kwekkend in de groote sloot van God. ()

Maar ter geruststelling de volgende overwegingen voor wie denkt dat Bruning zichzelf zou uitgesloten hebben:

Onze logica is misschien de meest consequente vorm van waanzin.
Drek... drék... Dat is misschien ook het eenige juiste antwoord op ónze waarheden... ()

Tot zover de autobiografische aspecten die ik in dit spel meen te herkennen.

Het verworpen christendom
Naar mijn inzicht heeft Bruning, wat het historisch gedeelte van dit toneelspel betreft, vooral een duidelijke overeenkomst gezien tussen de leer van Franciscus en de ontwikkeling daarvan in diens Orde enerzijds en de leer van Jezus (het, volgens hem, verworpen christendom) en de ontwikkeling daarvan, om niet te zeggen, de verwording tot het in Brunings tijd gangbare christendom binnen de Kerk anderzijds.

(...) dat het, juist om de Kerk te redden, nauwelijks meer is toegestaan haar Stichter letterlijk na te volgen, - dat dit ideaal wel altijd schoon heet, maar dat de tijden er nooit rijp voor zijn? ()

Elias trachtte de uitwendige structuur van de Orde gesticht door Franciscus te hervormen, zonder het wezenlijke daarvan aan te tasten. Hij bediende zich in dit spel daartoe, tijdens het leven van Franciscus, van een list.

Wat rest mij dan, die geen priester, doch slechts leeke­broeder ben? Dit: Hugolinus met raad en daad bijstaan wat betreft zijn ideeën aangaande de uitwendige structuur der Orde en, aldus, mijn ideeën, overheen Hugolinus, aan Franciscus voor te leggen en door te drijven. ()

Elias hield er echter een dubbele agenda op na, omdat hij kennelijk ook nog een gevaar zag.

Thans belastert men mij, omdat ik tegen Franciscus schijn te strijden; later, omdat blijken zal, dat ik de Orde evenzeer tegen Rome in bescherming heb genomen, en dit zal blijven doen... ()

Ook in dit spel bracht Bruning zijn opvatting over het oorspronkelijke christendom ter sprake en hoe dat verworpen werd.

Broeder Elias sprak:

Geroepen door Christus, zijn wij geroepen met Christus te worden verworpen.. ()

Broeder Leo reageerde hierop:

Zoo echter heb ik uw woorden nooit verstaan... Verworpen worden door de wereld, ach, dat hadden wij verwacht; doch verworpen worden door de goeden... de eigen broeders... ()

Over het door hem voorgestane christendom liet Bruning een idioot zeggen:

Zooals ik dus zei: ik ben verworpen. Uitgestooten werd ik, omdat ik een niet heldhaftig christendom predikte: vergiffenis van onze zonden krachtens een goddelijk noodlot, dat ons zwak de wereld in zond. Ik verkondigde: God heeft ons alles vergeven, laten ook wij elkander vergeven. Waar geen schuld is, is geen schuld. ()

Onze zonden zijn kuisch, kuisch bij het goddelijke... ()

Naar mijn opvatting plaatste Bruning hier, heimelijk, zo zijn vraagtekens bij het sacrament van de biecht als het middel om vergeving voor onze zonden aan God te vragen. Bruning stelde echter daartegenover nadrukkelijk het elkander vergeven op menselijk vlak.

Kuis bij het goddelijke, maar dat betekende voor hem geenszins kuis bij het menselijke, gezien de volgende beschuldiging aan het adres van de kerk:

De Kerk... Alle zonden heeft zij bedreven, doch over geen zonde heeft zij ooit berouw gehad, ook niet over de afschuwelijkste, die zij bedreven heeft. ()

Tegelijk naast het als mens de zonden van een ánder vergeven, stelde Bruning ook het zelf berouw hebben over de éigen zonden, naar zijn medemensen.

En over het “christen zijn” van zo velen schreef hij:

Wat is ’n christen? Iemand die zucht over zonden die hij nooit betreurt en verlangt naar een volmaaktheid, die hij niet begeert. ()

Zou Bruning, toen hij Franciscus het volgende tegen Elias liet zeggen, niet heimelijk ook gedacht hebben dat Christus zelf een dergelijke vermaning tegen zijn vertegenwoordigers op aarde uitgesproken zou kunnen hebben?

Gij hebt het recht uw ideaal te volgen, zoo ge werkelijk alleen Gods eer zoekt, maar niét als ware het mijn ideaal, niet in mijn naam. ()

Het goede leven zijn; zijn religieus levensbewustzijn
Met religieus levensbewustzijn bedoel ik te zeggen dat zijn levensbewustzijn onlosmakelijk verweven was met zijn religieuze opvattingen. Wel dient men zich te realiseren dat bij Bruning religieuze ervaringen, dikwijls heel natuurlijke ervaringen waren. In Brunings levensbewustzijn stond de mens in zijn leven op deze aarde centraal.

Zoolang wij werken... Daarna echter wordt ook de meest zuivere uitbeelding van hetgeen ons arbeidend bezielde, een bron van het botste onverstand. Op het meest essen­tieele reageert geen mensch. ()

Elias:

Wij beminnen Christus als het Léven, en Christus in deze wereld verheerlijkt, omdat wij het schandelijke sterven van Christus buiten de poorten der menschengemeenschap niet als de eeuwige realiteit van datzélfde Leven aanvaarden durven.

Wij beminnen de waarheid als een mogelijkheid onze schoonste droomen, d.i. onszelf, d.i. onze ziel, te realiseeren, doch wij verwerpen haar als zij zegt, dat wij onze ziel moeten haten, en met een nederigen glimlach aan onszelf, aan onze schoonste droomen voorbijgaan. ()

Franciscus echter volgde een waarheid die zijn ziel moet hebben gehaat want hij ging aan elken droom, aan elk recht, aan elke zegepraal voorbij — om enkel... enkel het goede leven te zijn. ()
...de zuiverste waarheden zijn die, welke wij haten; zij zijn die goddelijke, waartegen onze menschelijkheid in opstand komt. ()

Het goede leven zijn, betekende uitsluitend: de anderen dienen naar het voorbeeld van Jezus.

Wij hebben geen andere taak dan zelf het goede leven te zijn en de anderen, naar het voorbeeld van Christus, slechts te dienen. Dit, dit alleen, broeder Elias, was de goedheid en de menschlievenheid van God onzen Zaligmaker. En zoo had ook Franciscus onze zwakheid lief. ()

Het goede leven zijn, ondanks alles.

Het is déze werkelijkheid, deze eeuwige nederlaag van het goddelijke in ons en in de wereld om ons heen, welke wij aanvaarden en ook niet vréézen moeten: met niets loochenen, met niets verbergen. De bestemming van ons leven is niet dit goddelijk noodlot te verbreken; het is deze werkelijkheid juist, welke wij leven moeten, geduldig aanvaarden, en erkennen.
Onze werken kunnen slechts een nederlaag bewerken. De zegepraal is enkel een vrucht van Gods barmhartigheid. ()

Indien ik nog iets gelooven kan, wil ik hetgeen ik u zeide als waarheid gelooven. Doch geloof ik nog...? Ik ben teruggekeerd naar het begin van mijn leven, doch ik bezit het slechts als een conclusie van het verstand. Nochtans, déze waarheid wil ik leven, want zij schijnt mij het eenige goede leven. ()

Is deze laatste overweging alleen maar tekst in een toneelspel, of gold dit ook voor Bruning zelf? Ik denk het wel. Een vurig geloof dat hij misschien vroeger gekend heeft, had hij totaal verloren. Wat hij nog als waarheid zag, en waarnaar hij vol overtuiging heeft willen leven, was een koele conclusie van zijn verstand.

En deze conclusie vormde mede het drama van Brunings leven.

Het is een eeuwig en eeuwig-eender drama. Ik bezit mijn waarheid, doch waar waarheid is of recht, weet ik niet — tenzij bij Christus, en Hem tracht ik te volgen, op mijn wijze, zooals de anderen dat op hun wijze doen. ()

Parallellen
Bruning schreef in zijn inleiding dat de problematiek ten tijde van Elias toentertijd nog steeds actueel was. Ik zie wel parallellen tussen de twaalfde eeuw en de tijd rond het begin van de tweede wereldoorlog.


Het geduld, dat het groote wapen is in den geestelijken strijd, is niet zelden het noodlottigste in den machtstrijd. ()

Zo als er tussen Rome en de Keizer een machtsstrijd gaande was, waarbij Rome tegelijkertijd geestelijke waarden verdedigde, zo voerde ook het Duitsland van het interbellum een machtsstrijd in Europa, maar wilde tegelijkertijd ook een andere samenlevingsvorm invoeren. Dat laatste vergde vooral veel geduld. Bruning stond een geheel eigen vorm voor de Nieuwe Orde in onze contreien voor ogen.

Men beoordeelt de huidige worsteling verkeerd, als men den strijd der Duitsche keizers slechts beschouwt als een strijd om territoriale rechten, als een uiting van machtshonger of bandeloozen vrijheidswil. ()

De Duitse keizers streefden nog een ander doel na nl.:

(…) het geheel éigen doel van den wereldlijken gezagsdrager. Dit doel is het natúúrlijk welzijn van den mensch. ()

Dit doel heeft ook Bruning, o.a. tijdens de oorlog, in zijn geschriften voortdurend verdedigd en wel op een van Franciscus afgekeken manier.

Hij (Franciscus) heeft het pijnlijk probleem intuitief verstaan. Hij hield zich, en hij hield ook de zijnen buiten heel dien verwoeden machtsstrijd. Hij streed voor zuiver geestelijke waarden. Hij wilde, wat betreft de zuiverheid van zijn intenties, niet de minste aanleiding geven voor wantrouwen of misverstand. ()

Maar Bruning had ondanks al zijn inspanningen weinig hoge verwachtingen van zijn strijd.

Een gedroomde orde leven, een schoone abstractie en logica, omdat de aarde geen enkele orde realiseert, en het bereikbare de bezoedeling van het handelen niet waard is. ()

Nadat Rome op onze Orde is neergestreken, strijkt het ook neer op elk succes door onze Orde bereikt. Rome waait over onze jonge aanplanten als een stofwolk, die alles verzandt. Het heeft geen zin meer op deze wijze voort te strijden. Het is volmaakt vergeefsch — ook al hebben de broeders dan nog steeds het gevoel ,,zegevierend’’ op te rukken... ()

Zoals Rome alles naar zijn hand zou zetten, zo zou waarschijnlijk ook Duitsland, na de Endsieg, over de NSB en ons land heen walsen. Maar dat was voor Bruning geen reden om de strijd voor zijn ideaal - “het natuurlijk welzijn van de mensch”, zijn politieke vertaling van “het goede leven zijn” - op te geven.

Met de formulering:

Ook de ontrouw kan een trouw zijn ()

dacht Bruning niet alleen aan zijn ontrouw aan de Kerk, die in zijn geval bestond uit zijn trouw aan het voorgeleefde leven van Jezus, maar zeker ook aan zijn vermeende ontrouw aan het Nederlandse volk – zijn landverraad door lid te worden van de NSB. De waarden, die hij toen verdedigde, zou hij ook onder andere politieke omstandigheden verdedigd hebben. Het verdedigen van die waarden op beide terreinen klinkt voor mij door in de woorden die hij Franciscus laat uitspreken:

Welke is dan mijn strijdbaarheid, (...). Deze, dat ik mijn ideaal bekénd maak, en wel door mijn voorbeeld, mijn leven, en door mijn woord. God weet, dat ik hier in niets heb willen tekort schieten; steeds heb ik mijn ideaal verklaard, (...). ()

En zoals broeder Andreas niet kon gehoorzamen aan zijn superieur, omdat hij trouw bleef aan zijn geweten, zo vond Bruning dat hij, juist onder de toenmalige omstandigheden, trouw aan de staat Nederland moest blijven. Hij meende zijn landgenoten beter te kunnen dienen door wel te publiceren i.p.v. zwijgend de dramatische ontwikkelingen, die Bruning voorzag, af te wachten, zeker omdat het voor hem volslagen onduidelijk was hoelang de bezetting wel niet had kunnen gaan duren. Een soortgelijke overweging meen ik ook te beluisteren als hij Elias laat zeggen:

Thans be­lastert men mij, omdat ik tegen Franciscus schijn te strij­den; later, omdat blijken zal, dat ik de Orde evenzeer tegen Rome in bescherming heb genomen, en dit zal blijven doen... ()

Toevallige overeenkomsten met latere gebeurtenissen
Margaretha, de vrouw van Elias, sprak in het derde bedrijf tegen Elias, die toen zeer teruggetrokken leefde:

De keizer heeft je hulp dringend nodig. ()

Op 7 oktober 1945 schreef Brunings vrouw aan hem, toen hij als politiek delinquent gevangen zat:

Ze zouden jou toch zoo goed kunnen gebruiken in dezen tijd.... ()

In de discussie over de noodzaak van het hervormen van de Orde zei een der vicarissen over Franciscus:

Zijn geest, vrees ik, kan het vraagstuk der Orde niet meer aan. De Orde werd te groot, en het vraagstuk te ingewikkeld voor zijn eenvoudigen geest. Dat maakt het spreken met hem zoo moeilijk, en ook zijn spreken. ()

En Elias voegde daar nog aan toe:

In feite nemen wij Franciscus’ stichting - doch ook dit is bitter - tegen hemzelf in bescherming, tegen Franciscus’ engelachtige levensvreemdheid, tegen dat in God verzonken leven, dat zoo zelden aandacht had voor de werkelijkheid om hem heen. ()

Op 18 oktober 1946 schreef F. Tellegen over Bruning aan diens advocaat:

Het isole­ment, waarin deze mensen door hun keuze geraakten, zal een van de redenen zijn geweest, waardoor zij de objectieve kijk verloren op de feitelijke verhoudingen. ()

Terugblikkend op het leven van Elias sprak een krijgsman:

Vermoedelijk was zijn eerzucht alleen, den eigenlijken drijver te zijn achter het politieke spel in Europa. ()

A. van Duinkerken verklaarde voor het tribunaal over Bruning:

Hij is voor zichzelf en anderen een moeilijke man gebleven, ongetwijfeld door grootheidswaan misleid...
Zulk een merkwaardige zelfvergrooting mag men tot aan abnormaliteit grenzende, onevenwichtigheid noemen, doch zij verklaart de zielkun­di­ge gronden van Brunings houding tijdens den oorlog. ...
Hij heeft bij de N.S.B. gezocht naar een klankbodem voor zijn behoefte aan zelf-uitdrukking, omdat hij geloofde, elders zulk een klankbodem niet te kunnen vinden, wijl daar onvoldoende aandacht was voor het verlangen naar persoonlijke grootheid. ()

Een antwoord op een nog ongestelde vraag?
Als ik de vraag aan Elias

Gelooft gij niet meer in Christus?()

vergelijk met de vraag waarmee een briefschrijver Bruning, als eindredacteur van de Schouw, in 1942 confronteerde:

Zijt gij nog katholiek? ()

dan denk ik dat Bruning in het naspel van dit toneelstuk reeds het antwoord heeft geformuleerd op die toen nog niet gestelde vraag.

Ook in dit spel kwam de “speciale” visie van Bruning op God, zoals ik die bij hem meen te verstaan, naar voren. God was, in tegenstelling tot de Vader, zoals de Kerk Hem vaak voorstelt, bij Bruning de Ongrijpbare en de Onbegrijpbare goddelijke kracht, die al in het voorgaande ter sprake kwam en die Bruning vaak aanduidde met het Leven, een kracht die zich in veel gevallen ook als volkomen natuurlijk manifesteert:

Ook ik ben dit goddelijk noodlot slechts langzaam gaan verstaan... ()

ach, als wij ook die beleedigingen en vernederingen en dat verstooten-zijn geduldig verdragen, zonder ons erover te bekommeren, met liefde en nederigheid geloovend, dat God het is, die hem zoo tot ons doet spreken, ach, broeder Leo, weet dan, dat hierin de volmaakte vreugde gelegen is ()

'n Beetje beschaamd: over zichzelf, over de men­schen - en ook over God, moest je onwillekeurig denken. ()

Paulus, Petrus, Franciscus, de paus, de bisschop, de keizer, - het is allemaal niets. Niéts. Nul en niets. Veracht ze. Het zijn allen vorschen, springend en kwekkend in de groote sloot van God. ()

er is maar één róts...
En die is deze, dat alles leugen is. Maar van alle leugen het goede behouden en de rest laten vallen, dat is waarheid. - Dat is ook de nacht, waarvan geschreven staat: En de nacht zal klaar wezen als de dag, en de nacht zal mijn vreugde verlichten. Dat is ook de verbórgenheid Gods. ()

de wegen der menschen zijn tenslotte even ondoorgrondelijk als de wegen van God ()

De bestemming van ons leven is niet dit goddelijk noodlot te verbreken; ()

Christus was voor Bruning vooral belangrijk als voorbeeld hoe de mens hier op aarde zijn opdracht naar God diende te vervullen, in een dienende liefde tot al zijn medemensen.

Ook Christus niet. En nochtans kon men van beiden zeg­gen, wat er van Mozes geschreven staat: dat hij de allerzachtmoedigste mensch was, die op het aardrijk woonde. ()

zooals Christus den hemelschen Vader en de menschen gediend heeft ()

Ik zeide het u: om dat goede leven te zijn, dat ons met Christus geopenbaard werd en om daarin niet meer te schij­nen dan wij zijn. ()

Bruning zag de kruisdood van Christus als een ultieme daad van liefde naar de mensen en als ultiem voorbeeld voor de mensen. Christus was mens onder de mensen.

Christus aanvaardde het, dat hij als een lam werd gedood, ()

De kruisdood van Christus als redding voor onze zonden paste niet in Brunings beeld van God.

Gevoelt in u, mijn broeder Elias, hetzelfde als Jezus Christus, die, ofschoon Hij in den staat van God bestond, zijn gelijkheid met God toch niet hebzuchtig als een roofgoed vasthield, maar zich­zelf ontledigde door den staat van slaaf aan te nemen en de slavernij der liefde tot den dood des kruises te dragen. ()

In Guido Gezelle de Andere las ik:

Zich verenigen met Christus betekende voor de latere Gezelle allereerst: een-zijn met Christus’ leven: niet allereerst met Christus’ dood, maar met datgene waarom Hij werd gedood: zijn opdracht onder de mensen. Deze bestond in de verkondiging der onvoorwaardelijke liefde. Deze liefde (van God voor de mens; en als de enige zedelijkheid waarvan het handelen der mensen de uitdrukking mocht zijn) was Christus’ unieke, openbarende boodschap – waarin èn de wijsheid èn de goedheid der wereld stond afgewezen. ()

In verband met het antwoord op de vraag "Zijt gij nog katholiek?" is het Naspel, dat slechts op de verbeelding van Bruning is gebaseerd, zo interessant. Hierin trachtte een Cisterciënzer, op verzoek van de Paus, Elias weer terug te laten keren tot de Kerk, echter te vergeefs. Bruning schreef daarover in zijn inleiding:

Hij zou zijn diepste en zuiverste wezen volkomen verloochend hebben als hij zich op het einde van zijn leven blindelings gebogen (verzoend) had.()

Elias gaf niet alleen geen gehoor aan een uitdrukkelijk verzoek van de Paus, de vertegenwoordiger van Christus in deze wereld, hij deed daarmee ook afstand van de genade (en de verlossing) die door toedoen van de Kerk ontvangen zou kunnen worden.

Ik ben geneigd mijn antwoord op de vraag aan Bruning als volgt te formuleren: Bruning was een volgeling van Jezus, in het bijzonder van Diens leven op aarde. Hij hechtte in zijn levenslange zoektocht veel waarde aan inzichten van andere zoekenden, van christenen evenzeer als van “heidenen”. Maar katholiek, in de zin van een overtuigd lid van de institutionele kerk, kan ik hem onmogelijk noemen, ook al is hij door anderen meerdere malen aangeduid als een ,,te katholieke katholiek”. Wellicht was Bruning meer een Luther, maar geen hervormer als Luther.
Ook het fragment uit Guido Gezelle, de andere (1954), waarin Bruning constateerde:

maar dit (historisch gegroeide) Christendom van mij stotend, stoot ik nog allerminst op mijn oorspronkelijkheid ()

is veel zeggend. Alsmede zijn uitspraak uit 1982, één jaar voor zijn dood, in De Tijd waarin hij “de terugkeer tot de institutionele kerk” van Ernest Michel aan het eind van diens leven niet vond kloppen “met de lijn van Michels leven”.
Officieel breken met de kerk, betekende voor hem persoonlijk, geen wezenlijke verandering, maar zich openlijk uitspreken vóór de “institutionele kerk” zou niet kloppen met de lijn van zijn leven. Of meer in overeenstemming met dit toneelstuk: dat zou gelijk gestaan hebben met “moord” op de Bruning die hij steeds heeft trachten te zijn. Of minder dramatisch en in Brunings eigen woorden over Elias in zijn inleiding:

Degene echter, die jaren lang een zoo volstrekte eenzaamheid durfde leven, (...) is niet de aangewezen persoon om zijn diepste wezen, de trouw aan zichzelf, te verloochenen. ()

Een aantal gedichten van Bruning, waaronder zijn gedichten uit Van Ziel en Aarde, zou men als mystieke gedichten kunnen karakteriseren. Het zou mij niet verbazen als Bruning ook ervaringen heeft gehad, die anderen wellicht als mystiek zouden benoemen. Nocturne 4 uit 1965 lijkt daarop te wijzen. Maar Bruning was zeer huiverig om zelf dergelijke ervaringen als mystiek, laat staan als een “aangeraakt worden door God” of als een “toegesproken worden door God” te benoemen. In diezelfde nocturne spreekt hij daar ook meteen zijn twijfel over uit. In het tussenvel 3 "God sprak tot mij" bij Verbum Humanum, Cahier I (), geeft hij daar uitvoeriger zijn visie op. Naar zijn mening zijn er voor zeer vele “bovennatuurlijke gebeurtenissen”, zeer natuurlijke verklaringen te geven. Hij zelf zou een uitspraak als “God sprak tot mij” niet durven doen; alle “goddelijke” uitspraken die hij tijdens zijn leven had ontvangen waren van mensen afkomstig. Ik vermoed dat hij daarom zijn eigen uitgeverijtje (voor een paar eigen boeken) daarom ook de naam had gegeven “Verbum Humanum”.

Zoals Henri Bruning in Elias van Cortona voor mij naar voren komt, is hij niet alleen een totaal andere dan de nationaal-socialist, waarvoor velen hem aanzagen en waarvoor sommigen hem nog steeds willen aanzien, maar is hij ook een andere dan de vader zoals ik die gekend heb. Vooral zijn levensbewustzijn zoals dat in dit toneelstuk maar ook elders () naar voren komt lijkt mij de essentie van Brunings werk te vormen. Iets daarvan had ik reeds ontdekt bij mijn eerste selectie uit zijn gedichten (). Ik had de, door mij gekozen, gedichten in afzonderlijke hoofdstukjes gerubriceerd en één daarvan had ik “Leven” genoemd. In die tijd leefde ik nog in de veronderstelling dat zijn gedichten over de ziel en dan met name zijn bundel Van ziel en aarde, voor hem het belangrijkste waren. Nu waag ik dat te betwijfelen.

Ik heb lange tijd niet begrepen waarom Bruning als laatste gedicht, in zijn bundel Motieven en Figuren, dat korte gedichtje over Sint Sebastiaan () had opgenomen, totdat ik ergens bij hem het woord “levenspijlen” tegenkwam en ik dit gedicht begon te verstaan, als zijn opvatting hoe zijn Levenslot onder en met de mensen te dragen. Waarbij ik veronderstel dat Bruning het als zijn opdracht beschouwde om in alle menselijke “leugen” te zoeken naar sporen van een goddelijke waarheid en deze met al zijn menselijke scheppingskracht uit te dragen.

Eindhoven, 31 december 2013
Theo Bruning

























terug

aangemaakt: 14-02-2013 Copyright © 2013 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-01-2014