Subj. bevindingen 
Theo Bruning
naar menu
 Curriculum 
Vitae
naar menu
 Teksten van boeken 
en artikelen
naar menu
Autobiografie
 politiek verleden 
naar menu
 Contact en Historie 
website
naar menu
 Overige teksten 
Theo Bruning
naar menu
Over het waarom
 Raymund Bruning 
naar menu



10 juli 1900


1927

Theo Bruning:

De religieuze evolutie
van
Henri Bruning
naar menu

Een vondst opgedoken
in het archief
van het NIOD
naar menu

Is het werkelijk zo ridicuul
om de NSB
gematigd te noemen?
naar menu

H E N R I
B R U N I N G

schrijver en dichter

*   *   *

De liefde
is
de grondwet en de orde
van het
menselijk bestaan


Dat kwaad, dat in feite op aarde geen bestaansrecht heeft, dat men niet kan dulden zonder zelf medeplichtig te worden, dat men, alleen radikaal en desnoods gewelddadig moet willen verdelgen als men aan de schuld der medeplichtigheid, deze besmeuring van het eigen menszijn, wil ontkomen;
maar om te ontkomen aan déze medeplichtigheid moet men op zijn beurt een mensonterend kwaad worden of op zich laden. (Vormkracht en Onmacht der Religie, p.36 )

Ook voor Christus was het woord, dat men geen duivel met een duivel uitdrijft, een woord van fundamentele betekenis. (Vormkracht en Onmacht der Religie, p.37 )

De eigenlijke opdracht van de Kerk en van de christen temidden en nog in al dat goede waarvoor hij zich met de anderen inzet, een geheel andere en een zeer nederige is: de vernieuwing van de innerlijke mens, i.c. het waarlijk liefde worden der mensen, en op die wijze helpen het aanschijn der aarde te vernieuwen. (Vormkracht en Onmacht der Religie, p.37 )

Als deze gemeenschap van liefde (...) houdt zij zichzelf onbesmet van de onwaardige hartstochten en hun verwoestend geweld, waarmee de wereld rondom haar het goede verdedigt en wil realiseren. (Vormkracht en Onmacht der Religie, p.37 )


*   *   *

Zijn afwijkende(?) visie over
Jeroen Bosch

Het is mij volmaakt onbegrijpelijk, hoe stellingen als de navolgende, stellingen die zoo manifest door de doeken zelf (de tekst!) worden weerlegd, maar opgang kunnen blijven maken: ,,Jeroen Bosch was een schilder, die de schoonheid niet verdroeg. Zijn fantasie trok naar het monsterlijke.” ,,Ziet hij de gestalte van Christus, dan is het nooit de zoete Heiland der mystiek-vervoerden, maar altijd de geschonden mensch tusschen de menschen, het voorwerp van de aandacht der moreel getroebleerden.” Weinig schilders toch hebben zulke paradijselijke landschappen geschilderd als juist Jeroen Bosch; weinig schilders hebben zoo ontroerd en ontroerend de geboorte van Christus verbeeld als Jeroen Bosch in zijn drieluik te Anderlecht (met het werk van Geertgen tot Sint Jan een der subliemstverstilde doeken, die ik ooit zag); weinig schilders hebben, temidden van zooveel demonen (demonen?), zulke serene, onberoerde en rustige heiligen en Christussen geschilderd als hij, deze vervoerde van den Zoeten Heiland en het goddelijk Lam... (Verworpen Christendom )

Jeroen Bosch daarentegen onderging de obsessies van hem, die in het Licht leeft en van daar de aarde, de wereld der menschen overziet. Hij kende de serene vervoeringen die ook een fra Angelico gekend heeft (tallooze doeken bewijzen zulks), maar de wereld der menschen die voor den serafijnschen Angelico nauwelijks meer bestond, zag Jeroen Bosch bevolkt door monsters, zooals Rembrandt deze zelfde wereld der menschen gehuld zag in duisternis. Hoe klaarder het besef der perfectie, hoe verbijsterender en monstrueuzer de wereld der menschen wordt; hoe dieper men Gods goedheid voor de wereld binnendringt, hoe meer men de wereld ondergaat als een absurde en afschuwelijke, hallucinante droom en hoon. Hier begint de tragiek (die inderdaad ontstellend is) maar tevens ook de diepe, onloochenbare stilte die het werk van Jeroen Bosch kenmerkt, de serafijnsche gelatenheid ook zijner heiligen. (Verworpen Christendom )

Men moet dien doode hebben gezien van Jeroen Bosch, de adembenemende verlatenheid van dien op den grond geploften gehangene, de volstrekte waardeloosheid van een mede-mensch die daar ligt als een op een mestvaalt geworpen scherf waar niets en niemand verder nog belang bij heeft, men moet dien gruwelijken en bêten smoel hebben gezien van den „monnik” die even te voren het slachtoffer in zijn doodsangst moed influisterde (zijn bezweringsformules in het oor brabbelde), men moet, als achtergrond van die inquisitietafereelen, de uitlevering en kruisiging van den stillen en goeden en verraden — inderdaad „verraden” — Christus hebben gezien (en dit alles in een zóó droefgeestig grijzen toon), om te beseffen hoe monsterlijk-verdwaasd en verdwaald het menschelijk leven, met zijn „rechtvaardigheid” en „goedheid”, door iemand als Bosch ervaren werd, om te beseffen aan welke navrante aberraties zijn hallucinante visioenen hun oorsprong vonden. Hier was geen plaats meer voor spot of cynisme. Maar drukte hij het drama van den mensch uit in de symbolen van zijn tijd, hij drukte tevens een werkelijkheid uit van elken tijd, — een werkelijkheid echter, die slechts bestemd is voor (en herkend wordt door) de vervoerden: de ontroerden om een droom . . .( Surrealisme, De Schouw )


*   *   *
Zou jij zélf,
zelfs terwille van een
waarachtige zegepraal der waarheid,
van een vrouw de man,
van het kind de vader,
van het meisje de geliefde
kunnen doden?

Voel je niet,
hoe abstract het geweld moet blijven,
en hoe abstract je geweten,
wanneer je tot geweld besluit.

Voel je niet
hoe laf die moed,
hoe gewetenloos dat geweten is?

   *   *   *

Geloof je niet,
dat ook de vrijheid van de geest
haar martelaars eist?
Niet in de gewone zin,
dat haar verdedigers
voor haar sterven,
maar in deze,
dat zij van de vrijheid
welbewust afstand doen
en de knechtschap,
ook aan het meest geschonden
orde-beginsel,
aanvaarden.

Henri Bruning: Maria Goretti ()


(bij het tuinbeeld eener grieksche godin)

Dit oude, grijs statue, en om haar weer de lente,
't geuren der bloemen, 't loover der oude boomen.
Na zooveel schoone zomers is nogmaals het violente,
ontstuimig-jonge groen rondom haar rust gekomen.

Haar stil gelaat kent lente niet, niet de rampzaligheid
— o oogen virginaal — dezer droef-schoone gronden;
haar is hun wild geheimnis ver, en onaantastbaar bij
het hevig-woekrend groen schijnt zij den tijd ontbonden.

Verborgen in pril blad dreigt overal de dood:
vuurmonden — bunkers voor een laatst en helsch verderven.
Maar nóg is 't lente, — stil en wereld-groot
na zooveel schoone zomers, zooveel bitterst sterven.

Het grijze tuinbeeld glimlacht, en een vogel zong,
blond zonlicht doet haar glimlach inn'ger peinzend leven,
leven reeds eeuwen oud, en eeuwen wijs, en nog zóó jong
als dat der bloemen, vogels en het eeuwig menschen-streven.

Volkre' en geslachten storten in massalen moord
zich op elkander in een wild weerzijdsch verdelgen, —
doch altijd gaat het leven onbewogen voort
en blijft, schooner dan dit schoon beeld, helder en stil zichzelve.

HENRI BRUNING
(De Schouw juni 1944 , )

Zooals een bloem, die slechts wor­den moest wat zij als zaad reeds was, zoo heb­ben ook wij geen an­de­re op­dracht in dit le­ven dan ons zelf te wor­den.

Henri Bruning (Nieuw Politiek Bewustzijn 1942 )

Het einde der tijden, dat reeds zoovelen nabij hebben gezien, is een voortdurend actueel moment, precies zoo als de antichrist. Dit ,,einde” bedwingen kunnen is de scheppingskracht van den mensch.

Henri Bruning (Overbodig betoog 1940 )

Het is een eeuwig en eeuwig-eender drama. Ik bezit mijn waarheid, doch waar waarheid is of recht, weet ik niet — tenzij bij Christus, en Hem tracht ik te volgen, op mijn wijze, zooals de anderen dat op hun wijze doen.

Henri Bruning (Elias van Cortona 1943 )

"Weer gaan er stemmen op die Bruning willen zien als een idealist die het beste met het Nederlandse volk en zijn literatuur voor had. Dat hij daarbij voor het nationaal-socialisme koos, valt, volgens de aanhangers van deze visie, natuurlijk niet goed te praten, maar moet worden gezien als een poging de barbaarsheid van die ideologie van binnen uit te bestrijden. Oppergeschiedschrijver van Nederland in oorlogstijd, L. de Jong, is een van degenen die deze mening verkondigt."

Robbert Bodegraven in "Henri Bruning - het literaire geweten van de NSB", De Groene Amsterdammer, 2 mei 1990 (, )




17 dec. 1983


1980

Raymund Bruning:

Over het "waarom" van de collaboratie van mijn vader
naar menu





aangemaakt: 16-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 12-08-2016